Nieuwe kleren zonder keizer

Toen de ministers Kok en Van Mierlo in het voorjaar van 1995 zich kwamen voorstellen in Washington, waarschuwde vooral de minister-president voor een nieuw Amerikaans isolationisme. Maar dat was toen het gevaar helemaal niet. Waar de wereld beducht voor zou kunnen zijn, was een Amerikaans unilateralisme: een buitenlandse politiek die weinig rekening houdt met de belangen en inzichten van de bondgenoten.

Ook dat bleek tijdens de regering van Clinton per slot van rekening nog mee te vallen, maar onder zijn opvolger, George Bush, is die neiging veel sterker merkbaar. Als een bedachtzame krant als de Londense Financial Times een reeks van vier artikelen laat verschijnen onder het hoofd `Transatlantische tweedracht', dan valt niet te ontkennen dat er een andere wind uit Washington waait.

In de eerste honderd dagen van haar bestaan heeft de nieuwe regering haar bondgenoten en anderen al door een vrij abrupt optreden doen schrikken. Trefwoorden zijn de opzegging van het milieuverdrag van Kyoto (dat de Senaat, ook onder Clinton, toch nooit zou hebben geratificeerd), de vastbeslotenheid eigen land van een antiraketverdediging te voorzien, de harde toon tegen China, Noord-Korea en Rusland, de bommen op Irak. De diplomatieke usances die Washington de laatste dagen meer in acht begint te nemen, doen niet af aan de klimaat-, zo niet koerswijziging.

Zeker komt dit unilateralisme niet onverwachts. Het einde van de Koude Oorlog heeft de verhouding tussen de Atlantische bondgenoten grondig veranderd. Amerika heeft Europa minder nodig dan vóór 1989 en kan zonder veel risico lucht geven aan zijn ergernis over het Europese gezeur en gechicaneer. Ook worden de Europese pretenties om één macht te zijn waar rekening mee moet worden gehouden, openlijker aan de werkelijkheid getoetst.

Wat ook de merites van de klachten over en weer mogen zijn – de Europese bondgenoten moeten de waarschijnlijkheid van een groeiend Amerikaans unilateralisme onder ogen zien. Tijdens veertig jaar Koude Oorlog zijn ze gewend geraakt aan – zo niet verwend door – een Amerikaans leiderschap dat over het algemeen met egards voor Europese wensen werd uitgeoefend. Die tijd lijkt nu voorbij. Wat is Europa's antwoord daarop?

Het logische antwoord erop zou één Europese buitenlandse politiek zijn, maar die is nog in geen velden of wegen te bekennen. Weliswaar bemoeien zich ten minste vier leden van de Europese Commissie en een Hoge Vertegenwoordiger, Javier Solana, zich daarmee, maar er is niet één Europees politiek gezag. Europa heeft nog steeds niet dat ene telefoonnummer waar Kissinger al dertig jaar geleden om vroeg.

Goed, er begint nu langzamerhand een debat op gang te komen over de staatsrechtelijke constructie die het toekomstige Europa van 25 leden moet krijgen. Dat is op zichzelf te verwelkomen, maar het garandeert nog helemaal niet dat daar binnen afzienbare tijd ook overeenstemming over zal zijn. De plannen van bondskanselier Schröder voor een Europese executieve zullen zeker op hardnekkig Frans en Brits verzet stuiten.

Van de andere landen is alleen België geestdriftig. En Nederland? Zie het nogal vernietigende artikel van Van Staden en Rood op deze pagina in de krant van gisteren. Maar een Europese staatsrechtelijke structuur, stel dat die tot stand komt, is nog niet hetzelfde als een Europese politiek. Een politiek is niet uitsluitend een kwestie van instellingen. Zij is in de eerste plaats uitdrukking van de wil, zo men wil: de cultuur, van een gemeenschap, zo men wil: een volk. Welnu, een Europees volk bestaat niet. Zelfs de naam Europese Gemeenschap, waarmee vijftien Europese landen hun samenwerking tooiden, was een vlag die de lading niet dekte (evenals trouwens de tegenwoordige naam, Europese Unie).

Waardoor zou de politiek van een Europa dat, qua rijkdom en inwonertal, potentieel een grote mogendheid is, zich in de eerste plaats moeten kenmerken, aldus een antwoord vormend op een Amerikaans unilateralisme? In de eerste plaats door zijn militaire macht, die de taak heeft vrede, veiligheid en interne orde te verzekeren; in de tweede plaats door zijn munt, die zijn voorspoed moet garanderen.

Welnu, de munt hebben de landen die meedoen aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) gedepolitiseerd. Op goede gronden, maar het betekent wel dat de euro niet kan dienen als instrument van de politiek van een verenigd Europa. (Overigens is een munt net zo goed uitdrukking van een cultuur, en aangezien er niet één Europese cultuur bestaat, is de levensvatbaarheid van de euro twijfelachtig.)

Wat dat andere kenmerk van de politiek van een grote mogendheid, de krijgsmacht, betreft: de landen van de Europese Unie zijn overeengekomen een `snelle-reactiestrijdmacht' van 60.000 man op te stellen, die in 2003 in staat moet zijn binnen twee maanden (!) te reageren op een crisis. Weer een voorbeeld van Europese pretenties die de werkelijkheid niet dekken.

In elk geval zal op die manier het Europese antwoord op een Amerikaans unilateralisme wel even uitblijven. Dit brengt Erik Holm ertoe in zijn boek The European Anarchy: Europe's hard road into High Politics (Kopenhagen, 2001) te schrijven: ,,De auteurs van de verdragen van Maastricht (1991) en Amsterdam (1997) zijn de kleermakers van de nieuwe kleren zonder keizer.'' Inderdaad, potentieel is Europa een `keizerrijk', maar het heeft, ondanks alle constructies en pretenties, geen politiek (dus geen `keizer').

En na de top van Nice (2000), die een spektakel van Europese onenigheid was, blijkt Europa, schrijft Holm, niet meer dan een rek te zijn waarop de kleren te drogen gehangen worden, waar dus niets onder zit. Of om een andere beeldspraak te gebruiken: als een Amerikaans unilateralisme Europa zou dwingen politiek meer op eigen benen te staan, zou wel eens kunnen blijken dat het geen benen heeft of, op z'n best, benen die alleen maar uit botten, zonder vlees, bestaan.