Mink K.

Het arrest waarbij het hof Amsterdam de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de (verdere) vervolging van Mink K. heeft veel beroering gebracht. Er is onder meer kritiek op het niet in het openbaar uitspreken van gedeelten van het arrest. Volgens `vooraanstaande' juristen is er sprake van `flagrante strijd met de Grondwet' (NRC Handelsblad, 23 april). Persraadsheer Van Asperen heeft als toelichting gegeven dat het hof, om geen personen in gevaar te brengen, geen andere keus had (Staatscourant, 24 april).

Het gaat hier om de uitleg van artikel 121 van de Grondwet, dat luidt: `Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar'. Het artikel schrijft in de eerste volzin de openbaarheid van de terechtzittingen en de motivering van de vonnissen voor. De wet kan daarop uitzonderingen toelaten. Deze uitzonderingen zijn onder meer te vinden in het Wetboek van Strafvordering. In de zaak tegen Mink K. is hiervan gebruik gemaakt om een deel van de zitting met gesloten deuren – zij het met open microfonen – te houden.

Hoe zit het met de tweede volzin van artikel 121 Grondwet? Op het eerste gezicht laat deze geen uitzonderingen toe. Het hof heeft het belang van een behoorlijke rechtspleging aangevoerd als reden om enkele passages van het arrest niet uit te spreken en niet aan derden bekend te maken. De tekst van artikel 121 Grondwet is voorbereid door de Staatscommissie-Cals/Donner. Deze achtte het beperken van de uitspraak tot het zogenoemde `dictum' niet in strijd met de ongeclausuleerde eis dat de uitspraak in het openbaar geschiedt.

Als de gezaghebbende opvatting van de Staatscommissie wordt gevolgd, hoefde in de zaak-Mink K. dus alleen de beslissing van het hof waarbij het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard, in het openbaar te worden uitgesproken. Van strijd met de Grondwet is dan geen sprake. Het niet-uitspreken van gedeelten van het arrest die betrekking hebben op het tijdens de besloten zitting verhandelde, is daarom naar mijn mening niet in strijd met de Grondwet.