`Laat die collaborateurs met Israël ophoepelen'

Libanon bestraft collaborateurs uit de 25 jaar durende, uiterst bloedige burgeroorlog coulant. Te coulant, vinden slachtoffers van de Israëlische bezetting. Zij zinnen op wraak.

Langs een uitgebrande Israëlische tank met daarop een gefiguurzaagde ayatollah Khomeini in zwarte jurk, loopt de 60-jarige Haj Mahmud. Hij moet wel, want Haj Mahmuds Mercedes werd vrijdagnacht voor zijn eigen huis opgeblazen. De daders kan hij zo aanwijzen, zegt hij, want in dit shi'itische gehucht tegen de grens met Israël kent iedereen elkaar. Maar Haj Mahmud zal niets ondernemen, daarvoor is hij te bang. Hula heet zijn dorpje, en het is nu al weken toneel van wraakacties op voormalige collaborateurs met de Israëlische bezetter.

Tot nu toe gaat het om bommen onder lege auto's, in Hula en andere dorpjes in de buurt, maar daar zal het volgens een pamflet van de onbekende `Revolutionaire Cellen voor de Bestraffing van Collaborateurs' niet bij blijven. Iedereen die tijdens de 22 jaar Israëlische bezetting op wat voor manier dan ook heeft geheuld met de vijand, moet deze week zijn vertrokken ,,anders zullen de poorten van de hel zich voor hen openenen'', aldus het pamflet dat vorige week werd verspreid in het gebied in Zuid-Libanon dat tot elf maanden geleden werd bezet door Israël.

,,Ik had een sayarit mafya, daarom hebben ze 'm opgeblazen'', zegt Haj Mahmud buiten gehoorsafstand van voorbijgangers. Een sayarit mafya, letterlijk een maffia-auto, is een auto die ten tijde van de bezetting via Israël naar Libanon werd gesmokkeld. Er hoefde geen belasting over te worden betaald, waardoor de prijs uitkwam op tweeduizend dollar, de helft van wat mensen betaalden die hun auto volgens de regels uit Beiroet lieten komen. ,,Het is afgunst'', snuift Haj Mahmud, ,,en levensgevaarlijk, er waren nog heel veel mensen op straat toen de bom afging.''

Verderop in Hula staan nog twee opgeblazen auto's, een Volvo en een Opel. Ze zijn van de zus en de oom van bulldozerbestuurder Hisham. ,,Twee maanden hebben mijn zus en mijn oom als landarbeiders in Israël gewerkt'', zegt hij verontwaardigd. ,,Twee maanden! Ze hadden kinderen te voeden.''

Net als de duizenden anderen die tijdens de bezetting in Israël hadden gewerkt, werden ook Hishams oom en zus na de bevrijding in mei vorig jaar door de Libanese regering gearresteerd. Mannen kregen een boete van vijftienduizend gulden, vrouwen moesten de helft ophoesten. De mannen moesten bovendien twintig dagen de gevangenis in. Inmiddels hebben allen hun straf uitgezeten of hun boete betaald, en zijn ze teruggekeerd naar hun dorpjes. Maar daarmee is de zaak niet voorbij, althans wat betreft hen die `goed' waren tijdens de bezetting.

Het steekt de leden van het verzet en de `gewone bevolking' dat collaborateurs er zo makkelijk vanaf zijn gekomen. Sommigen hebben prachtige villa's en auto's overgehouden aan hun verdiensten in Israël. Wie destijds weigerde mee te werken met de bezetters, ging de gevangenis in of bleef zonder werk – en leeft nu in armoede.

Algemeen wordt de Libanese regering verantwoordelijk gehouden voor de huidige spanningen. Onder politieke druk van de machtige christelijke minderheid in Libanon zijn gearresteerde collaborateurs door de rechtbanken zeer coulant behandeld – veel van hen waren namelijk christen. Alleen bij verstek straften de rechters zwaar, waaronder tientallen doodstraffen.

In het kielzog van de militaire collaborateurs werd ook de bestraffing van civiele collaborateurs, onder wie arbeiders in Israël, afgeraffeld. Zo kreeg iedereen die in Israël had gewerkt, ongeacht de aard en de duur van het dienstverband, dezelfde straf.

Het voorspelbare gevolg is diepe frustratie bij de slachtoffers van de Israëlische bezetting, wier rechtvaardigheidsgevoel absoluut niet is bevredigd. ,,Het kan toch niet zo zijn dat iemand die zijn land heeft verraden, die de dood van verzetslieden op z'n geweten heeft, of die heel veel geld verdiende aan de zionistische vijand, dat zo'n persoon na een paar maanden of jaren teruggaat naar zijn huis om daar te genieten van de vruchten van zijn verraad '', vraagt Hussein Nabulsi, woordvoerder van Hezbollah. De shi'itische guerrillabeweging ontkent elke betrokkenheid met de `Revolutionaire Cellen' en heeft het pamflet direct veroordeeld. Maar ook Hezbollah roept collaborateurs op hun huizen te verlaten, aangezien ,,hun veiligheid niet kan worden gegarandeerd''.

Een extra complicerende factor is dat het Libanese leger nog altijd niet het zuiden in is getrokken omdat het weigert ,,de grenspolitie van Israël te spelen''. Timor Goksel, die namens de UNIFIL-troepen van de Verenigde Naties het zuiden in de gaten houdt, noemt de situatie in die regio op dit moment dan ook ,,hoogst explosief''. ,,Tot nu toe zijn het wraakacties door moslims tegen andere moslims. Maar als er dadelijk represailles komen tegen de christelijke dorpjes in het zuiden, dan kan dat vreselijk uit de hand lopen'', zegt hij.

Zo'n drieduizend hoge militaire en civiele collaborateurs van christelijke huize vluchtten bij de bevrijding naar Israël. Een paar honderd van hen zijn teruggekeerd naar Zuid-Libanon, met in hun zak de honderdduizend gulden Israëlische compensatie. Een handvol komt binnenkort vrij of is dat al.

Al met al is de afwikkeling van de Israëlische bezetting door de Libanese regering typerend voor hoe het land omgaat met de zwarte hoofdstukken in de eigen geschiedenis. Of beter gezegd: niet omgaat. Na de 25 jaar durende, uiterst bloedige burgeroorlog werd geen nationaal onderzoek of parlementaire enquête ingesteld, laat staan een `waarheidscommissie'.

Slechts een enkele militieleider verdween achter de tralies of naar het buitenland. Alle andere sluipschutters, kidnappers, bommenleggers en plunderaars gingen over tot de orde van de dag, net als hun slachtoffers. De christelijke krijgsheer Elie Ebeyha, verantwoordelijk voor de dood van 1.200 Palestijnen in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila, werd minister. Nabih Berri, als voorman van de shi'itische Amal-militie verantwoordelijk voor grootschalige moordpartijen op Palestijnen en shi'ieten van Hezbollah, is nog steeds parlementsvoorzitter.

De 20-jarige kruideniershulp Ali in het zuidelijke moslimdorpje Khirbet Silm, waar ook al een auto de lucht in is gegaan, vindt het vanzelfsprekend dat zijn dorpelingen eigen rechter spelen. ,,Iedereen die ook maar iets te maken heeft gehad met de zionisten moet weg. Weg uit het zuiden, weg uit Libanon'', zegt hij met jeugdig enthousiasme. Ook als mensen maar een maandje in Israël hebben gewerkt? Ali knikt bevestigend. ,,Ze hebben meegewerkt aan onze onderdrukking.'' En als de collaborateurs nu niet uit eigen beweging vertrekken? Ali haalt z'n schouders op. ,,Die autobommen zijn een waarschuwing. Vermoorden zullen we ze niet. We kunnen hun huizen in brand steken en ze in elkaar slaan, met stokken en bijlen.''