Kok veroordeelt grafschennis

Premier Kok heeft de bekladding van joodse graven, afgelopen weekeinde in Dorst bij Breda, scherp veroordeeld. Hij noemde de gebeurtenis een ,,gruwelijke intimidatie van burgers''.

Kok zei dit gisteren bij de opening van de Amsterdam Conference on Remembrance, over de herinnering aan de holocaust. In het NOS-journaal zei Kok voorts dat het een ,,systematische georganiseerde vernieling'' betrof. ,,Voor de aanpak daarvan is geen eenvoudig antwoord mogelijk. Hier zal systematisch onderzoek naar moeten volgen.'' Kok zei dat de overheid er alles aan zal doen om herhaling te voorkomen.

Op de meerdaagse conferentie in Amsterdam bespreken deelnemers met uiteenlopende achtergronden op het gebied van educatie en onderzoek hoe de herinnering aan de holocaust levend gehouden kan worden. Volgens Kok kan niets zoveel indruk maken als de verhalen van ooggetuigen. Omdat die generatie uitsterft, moet voor toekomstige generaties een nieuwe manier worden gevonden om de herinnering aan de holocaust levend te houden, aldus de minister-president.

Het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK), een joodse koepelorganisatie, had Kok publiekelijk opgeroepen zijn afkeuring uit te spreken. Voorzitter H. Markens van het NIK zegt ,,ontzet'' te zijn over de bekladding van de begraafplaats in Oosterhout. ,,Deze wandaad vervult ons met afgrijzen. Het is ontoelaatbaar dat de zielenrust van onze voorouders op een dergelijke wijze geweld wordt aangedaan.'' Volgens Markens maakt de bekladding duidelijk dat ,,er nog immer individuen in Nederland zijn die menen dat joden zich niet in ons land behoren op te houden.''

Op de conferentie kwam zijdelings ook de claim van joodse Amerikanen op kunstwerken in Nederlandse musea aan de orde. De Verenigde Staten eisen dat deze kunstwerken, die eigendom zijn van joodse slachtoffers van de holocaust maar nu in Nederlandse musea hangen, worden teruggeschonken.