Het is Topman, en hij stort ter aarde!

Is het een vogel? Is het een vliegtuig? Nee. Het is Topman! Moest de Nederlandse topondernemer in de vijandige jaren zeventig nog sluipend over straat, de laatste twee decennia groeide zijn status uit tot die van superheld. Niet onbegrijpelijk. Begin jaren tachtig zat de economie diep in het slop, waren de overheidsfinanciën dramatisch en bereikte de werkloosheid een na-oorlogs record. Publiek en politiek bekeerden zich schoorvoetend tot de aanbodseconomie. Het bedrijfsleven herwon zijn verloren maatschappelijke status en de topman werd het symbool, en de held, van de opleving van het kapitalisme.

Sindsdien is er een stilzwijgende overeenkomst gesloten tussen de top van het bedrijfsleven en de buitenwereld. De topondernemer werd niet gehinderd in zijn streven naar een zo groot mogelijke individuele welvaart omdat hij daarmee, in de geest van het negentiende-eeuwse liberalisme, vanzelf ook een stijgende welvaart voor zijn omgeving teweeg bracht. Niet zeuren dus, over hoge salarissen, optiepakketten, bonussen en handdrukken. Zolang de economische groei op stoom bleef, de werkgelegenheid toenam en – niet in de laatste plaats – de beurskoersen bleven stijgen.

Dat is dit jaar anders. Onder meer Philips en ABN Amro kondigden ontslagrondes aan. De onzekerheid over de economische vooruitzichten nemen toe. En de beurskoersen zijn, na jaren van bijna gegarandeerde stijgingen, flink gedaald. Alledrie dragen zij bij aan het idee dat de topondernemer zich niet langer aan zijn kant van de deal houdt. En dus moet het hem (vrouwen in de top zijn nog schaars) niet verbazen dat de afkeer groeit tegen zijn hoge en bovenmatig stijgende beloning. De voorkenniszaak-Boonstra komt, terecht of niet, wat dat betreft op een zeer ongelukkig moment.

Dat het personeel de hebzucht van de top kopieert door zelf ook steeds minder terughoudend met looneisen te worden, is een bekend gevaar. Maar een veel groter risico schuilt in het ontstaan van veel bredere weerzin tegen de ondernemer an sich. De tijden zijn er naar. Naarmate de hoogconjunctuur langer heeft geduurd, nemen de burgers de zegeningen van de ondernemingsgewijze productie steeds meer voor lief en concentreren zich op de schaduwzijden.

Dat gebeurde aan het einde van de jaren zestig ook, na ruim twee decennia van na-oorlogs economisch herstel en een breed groeiende welstand. Hoogste tijd voor Topman om zich af te vragen hoe het ook alweer kwam dat hij daarna meer dan tien jaar uit de gratie raakte.