Het gesjoemel met de Collectie Zoellner

Het schilderij Duinen bij Noordwijk (1906) van Max Liebermann hing sinds 1950 in het Groninger Museum als `bruikleen van de hoofdcommissaris van politie te Groningen'. Kort na de bevrijding zag H.S. Nauta, oud-burgemeester van Haren, het kostbare doek bij een uitdragerijtje waar hij het voor een habbekrats kon kopen. De handelaar vertelde dat hij het schilderij gekocht had van wegvluchtende Duitse soldaten. Omdat Nauta vermoedde dat het om gestolen joods bezit ging, bracht hij het naar de Groningse politie, maar die kon niet uitvinden waar het doek vandaan kwam. Daarom werd het in 1950 ondergebracht in het museum.

Binnenkort zal het schilderij worden overgedragen aan de in Chili wonende Deborah Zoellner, kleindochter van de oorspronkelijke eigenaresse Elsbeth Zoellner. In 1938 was Elsbeth Zoellner uit Duitsland naar Nederland gevlucht. In april 1940 vluchtte ze opnieuw, naar de Verenigde Staten. Terwijl zij in New York was werd een deel van haar kunstcollectie, waaronder het schilderij van Liebermann, buiten haar medeweten door haar Amsterdamse zaakwaarnemer te gelde gemaakt. Na de oorlog bleken de meeste kunstwerken onvindbaar.

In Jong Holland, Tijdschrift voor Kunst en Vormgeving vanaf 1850 wordt nu in een themanummer over `Ondergedoken kunst' de oorlogsgeschiedenis van Duinen bij Noordwijk gereconstrueerd door Eelke Muller. Zij traceerde de herkomst van het schilderij voor het project Museale verwervingen 1940-1948, het onderzoek van de Nederlandse musea naar voorwerpen die in die periode aan de museumcollecties zijn toegevoegd.

Mullers verhaal over het gesjoemel met de Collectie Zoellner heeft een exemplarische betekenis. Zoals ze zelf schrijft, zien we achter Elsbeth Zoellner `talloze andere joodse families die, met achterlating van vele gekoesterde bezittingen, hun oude leven moesten ontvluchten'. Het verhaal maakt ook duidelijk dat de huidige inspanningen van de Nederlandse overheid en de musea om de herkomst van oorlogskunst te onderzoeken, niet voor niets zijn .

Het themanummer van Jong Holland bevat verder interessante bijdragen over de rijksaankopen tijdens de oorlog, toen de beeldende kunstenaars flink in de watten werden gelegd - mits ze lid waren van de Kultuurkamer - en over de Nederlandse musea in oorlogstijd. Margreeth Soeting beschrijft aan de hand van tot nu toe onbekende archiefstukken uit het Stedelijk Museum hoe het Stedelijk de oorlog doorkwam onder leiding van directeur D.C. Roëll en conservator Willem Sandberg, die beiden actief waren in het verzet.

De directeur van het Haags Gemeentemuseum, Gerard Knuttel, bleek na zijn benoeming in 1941 zo weinig genegen tot een inschikkelijke houding tegenover de Duitsers dat hij een jaar later werd opgepakt en gevangen genomen. Zijn opvolger, Dirk Balfoort, was, noodgedwongen, wel bereid tot een `schoorvoetende medewerking aan de Duitsers'. Uit het artikel van Dick Brongers, hoofd Collecties bij het Haags Gemeentearchief, wordt duidelijk hoe moeilijk het is achteraf een oordeel te vellen over de rol van Balfoort. Zo adviseerde hij aan de burgemeester van Den Haag om van de Duitsers een schenking te aanvaarden van kunstwerken uit een joodse inboedel. Maar we zullen nooit meer kunnen achterhalen of hij dat deed om die kunst na de oorlog aan de berooide eigenaar terug te geven of omdat hij die kunst werkelijk als een `belangrijke aanwinst' voor zijn museum zag, zoals hij aan de burgemeester schreef.

Jong Holland nr. 2, 2001. Uitgeverij Stichting Jong Holland. Losse nummers ƒ22,50. Verschijnt morgen.

    • Lien Heyting