Het einde van de studeerkamergeleerde

De Nederlandse wetenschap moet zich meer gaan richten op maatschappelijk relevante hoofdlijnen, aldus een advies van NWO.

Het gaat uitstekend met de Nederlandse wetenschap, zegt de Leidse onderzoeker dr. R.J.W. Tijssen, een van de auteurs van de in februari gepubliceerde Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2000. Kijk maar naar de cijfers: in wetenschappelijke toptijdschriften worden alleen Zwitserse en Amerikaanse artikelen vaker geciteerd.

,,Die goede positie moeten we behouden'', vindt voorzitter R. van Duinen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de organisatie die zo'n twintig procent van alle onderzoek in Nederland financiert. De rest is voor rekening van het ministerie van Onderwijs en andere opdrachtgevers, zoals het bedrijfsleven. Deze week presenteerde NWO een `strategienota' om ,,als klein landje'' te kunnen blijven ,,reageren op de spannende thema's voor de komende tijd''.

Hier komt het op neer: de Nederlandse wetenschap moet voortaan inzetten op een beperkt aantal hoofdthema's die internationaal en maatschappelijk sterk in de belangstelling staan. Onderzoeksaanvragen moeten passen in thema's als Bestuur in Beweging, Digitalisering en Informatisering of Opkomende Technologieën. Bovendien wordt samenwerking internationaal of interdisciplinair beloond. Van Duinen: ,,De onderzoeker is uit zijn ivoren toren neergedaald. De wetenschapper van nu staat midden in de maatschappij.''

Het einde van de studeerkamergeleerde lijkt nabij. De wetenschapper die zich jaren in zijn eentje aan een onderzoek mocht wijden, is bijna uitgestorven, vertelt prof. Chr. Lorenz, hoogleraar filosofie en methodologie van de geschiedenis aan de Universiteit Leiden en de Vrije Universiteit. ,,Dit is een volgende stap in een proces dat al jaren aan de gang is. De markt wordt steeds belangrijker, internationalisering en samenwerking zijn de toverwoorden. Prima voor de bètawetenschappen, maar het is onzinnig dit soort uiterlijke kenmerken tot uniforme kwaliteitscriteria van wetenschappelijk onderzoek te verheffen.''

Want gaat het eigenlijk wel zo goed met het wetenschappelijke klimaat in Nederland? Ja, zegt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Sinds er een publicatieplicht is – twee artikelen per jaar – weten ook wetenschappers dat financiële steun verplichtingen met zich meebrengt.

Ja, zeggen ook de universiteiten. De instroom van buitenlandse studenten wordt groter, wetenschappers publiceren steeds meer `over de grens'. De productie van Nederlandse studies ligt, ondanks harde bezuinigingen in de jaren tachtig, hoog en het aantal voltijdsaanstellingen voor onderzoekers stijgt op veel universiteiten al jaren.

Maar dat is maar een deel van de waarheid. Veel studies kampen met een gebrek aan belangstelling van studenten, marginale opleidingen als Fries, Keltisch en papyrologie worden opgeheven en de doorstroom van studenten naar de wetenschap wordt steeds minder. Ter illustratie: het aantal promoties aan de UvA neemt sinds 1995 ieder jaar af, van 365 zes jaar geleden naar 288 in 2000. Dat is vreemd, omdat het aantal wetenschappelijke publicaties van de hand van UvA-medewerkers praktisch ieder jaar stijgt. Mínder mensen doen dus méér werk.

,,Alles wat in de tijd en de ruimte ver van ons afstaat, is niet meer populair'', vindt hoogleraar Latijnse taal- en letterkunde prof. H. Pinkster. ,,De belangstelling is de laatste jaren massaal veranderd. De student van nu gaat film- en televisiewetenschap, economie of communicatiewetenschappen studeren. En wie is er nog te porren voor Slavische talen of geschiedenis? Een heel treurige ontwikkeling.''

Het huidige politieke klimaat, waar de nadruk steeds meer op prestatie, internationalisering en samenwerking komt te liggen, is dodelijk voor de alfawetenschappen, zegt prof. H. Pleij, hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Alles moet maatschappelijk relevant zijn en van tevoren moet je kunnen aantonen wat de resultaten van je onderzoek worden. Ik kan daar helemaal niks mee, waar is de briljante eenling gebleven?''

Al twee decennia hebben de humaniora last van een toenemende druk om hieraan mee te doen. Maatschappelijke relevantie komt in de ogen van Pleij slechts neer op pragmatisme. ,,Wat is relevant? Een brug kunnen bouwen is mooi, maar je moet ook leren nadenken waarom je een brug bouwt. Juist dat komt onder druk te staan als de nadruk op de praktijk gericht is.'' En dat is kwalijk, vindt Pleij. ,,Samenwerking ís het, hoor je dan. Je genereert er echter alleen maar klonenonderzoek mee, water bij de wijn doen. Had Huizinga zijn baanbrekende Herfsttij der Middeleeuwen kunnen schrijven in dit wetenschappelijke klimaat? Ik geloof er niets van, veel te experimenteel.''

Toch moeten de alfa's niet al te bang zijn voor maatschappelijke veranderingen, vindt hoogleraar Pinkster, tevens oud-vice-voorzitter van NWO. ,,Het veranderde gedrag van eerstejaars is een reflectie van hoe de samenleving veranderd is. Het is jammer, maar je kunt als universiteit je ogen daar niet voor sluiten. Anders wordt het hier pas écht een droefgeestige bedoening.''