De vrije markt is een zegen voor de beschaving

In tegenstelling tot wat sommigen denken, leidt de vrije markt niet tot de teloorgang van een redelijke inkomensverdeling, het sociale zekerheidsstelsel en een voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg, meent Aad van Mourik.

Het is in kringen van beschavingspriesters in toenemende mate mode om de vrije markt de schuld te geven voor alles wat misgaat. Het artikel `De beschaving moet gered worden' (Opiniepagina, 1 mei), is daar een voorbeeld van. De kruisridders tegen de vrije markt huldigen echter buitengewoon ongenuanceerde opvattingen. Zoals de `onzichtbare hand van de vrije markt' verantwoordelijk te willen stellen voor `uiteenlopende problemen als het lerarentekort, de wachtlijsten in de gezondheidszorg, de opeenvolgende crises in de landbouw en de toename van het geweld onder jongeren.' Het is evenzeer bedenkelijk, de markt de schuld te geven van een teloorgang van een `redelijke inkomensverdeling, het sociale zekerheidsstelsel, en een voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg'.

Voorstanders van de vrije markt, zoals de Schotse filosoof Adam Smith in zijn Wealth of Nations, of meer recent de nobelprijswinnaar F. Hayek, zijn niet van mening dat de vrije markt onder alle omstandigheden in staat is haar beloftes waar te maken om de eenvoudige reden dat de vrije markt niet kan functioneren in een ethisch vacuüm. Volgens Hayek wordt het ethisch kader van een markteconomie gevormd door het beginsel dat alle leden van de samenleving onderworpen zijn aan dezelfde regels. De vrije individuen, die deze samenleving bevolken, zijn allen gelijk voor de wet. De bedoeling van deze regels is dat zij concurrentie tussen de leden van de samenleving bevorderen en dat het prijsmechanisme daardoor de handelingen van individuen kan coördineren. Op deze wijze wordt een maximum aan maatschappelijke welvaart, vrijheid en creativiteit gegarandeerd.

De aanhangers van het vrijemarktmechanisme zijn niet blind voor situaties, waarin het prijsmechanisme niet naar behoren functioneert. Een belangrijke reden waarom het prijsmechanisme kan falen is uiteraard het ingrijpen van de overheid in de markt, of omdat de overheid regels stelt waardoor allen niet langer gelijk zijn voor de wet en waardoor concurrentie niet optreedt of wordt verstoord. Daarnaast ontstaan in sommige gevallen marktverstorende monopolies.

Beschavingspriesters storten zich met graagte op het falen van de markt.Maar om te beweren dat in de gezondheidszorg sprake is van ongebreidelde marktwerking, is lariekoek. De gezondheidszorg is bij uitstek een voorbeeld van een zwaar gereglementeerde sector, waarin de overheid zich niet alleen bemoeit met de prijzen van medicijnen, maar ook de prijzen van productiefactoren, zoals de salarissen van artsen, specialisten en andere dienstverleners en verzorgers aan een streng marktinterventieregime onderwerpt. Daarnaast verstoort de overheid deze markt nog verder door het instellen van allerlei quota, bijvoorbeeld in de opleiding van nieuwe gezondheidswerkers.

Het is voor een gelovige in de werking van de markt absoluut geen wonder, dat artsen drie gaan dagen staken en dat mensen maandenlang moeten wachten voor een levensreddende operatie. Het is een wonder dat dit niet veel eerder is gebeurd. In een vrije markt had het prijsmechanisme het aanbod van artsen inmiddels al lang vergroot en zouden de artsen alle kosten van de productie, dus ook de praktijkkosten, door de markt vergoed hebben gekregen en dus bijvoorbeeld ook geen toevlucht hebben gezocht tot het middel van de staking.

Ook is het niet correct de problemen in de landbouw af te schuiven op vermeend wangedrag van `ondernemingen die behoren tot het agro-industriële complex'. De Europese landbouwpolitiek wordt juist overwegend gekenmerkt door een sterk ingrijpen van de overheid in de prijsvorming. Garantieprijzen hebben er sinds het eind van de jaren zestig voor gezorgd, dat de prijsvorming verre van vrij genoemd was en ook hier werden de negatieve resultaten van directe ingrepen in prijsvorming verergerd door maatregelen als protectionisme aan de buitengrenzen, melkquota, stilleggingsregelingen en wat dies meer zij. Net als in de gezondheidszorg, geldt ook hier dat meer marktwerking bijvoorbeeld weerzinwekkende epidemieën waarschijnlijk zou hebben voorkomen. Niet alleen was de landbouw in dat geval veel minder intensief bedreven, er zou minder heen en weer worden gesold met dieren, en marktwerking zou voor een gezonde diversiteit in het voedselaanbod hebben gezorgd in plaats van een concentratie op bepaalde, zwaar gesubsidieerde producten.

De auteurs goochelen selectief met cijfers om aan te tonen dat meer marktwerking leidt tot minder beschaving. Men kan hier allerlei andere, eveneens uit hun verband gerukte cijfers tegenover stellen, zoals de explosieve groei van het aantal caravans in de lagere inkomensklassen in de laatste twee decennia. Waar het echter om gaat, is dat de groei van het aantal miljonairs in Nederland of het aantal kinderen dat in armoede opgroeit, op zich niets zegt over de ontwikkeling van de maatschappelijke welvaart of de kwaliteit van de Nederlandse verzorgingsstaat. In een recent onderzoek van het SCP wordt gesteld dat Nederland in internationaal opzicht vrij goed scoort ten aanzien van inkomensherverdeling en -gelijkheid, sociale welvaart en armoedebestrijding. Daarnaast zegt een dalend percentage overheidsbestedingen voor onderwijs op zichzelf eveneens niets. Hiertegenover staat een sterke groei van het aantal `corporate universities', een toegenomen `on the job training' en een groeiend aantal particuliere opleidingsinstituten, die in plaats komen van formele, uit publieke gelden betaalde vorming. Ook vormen dalende bestedingen voor gemeenschappelijke voorzieningen niet in alle gevallen een bedenkelijke ontwikkeling: in veel gevallen is deze daling een teken van een toegenomen emanicipatie van de bevolking.

Het is waar dat veel gemeenschappelijke voorzieningen zijn ingevoerd om een einde te maken aan mensonterende ongelijkheid en sociale wantoestanden. Maar dat betekent niet dat, nu de ongelijkheid op veel terreinen sterk is verminderd, dergelijke gemeenschapsvoorzieningen tot in lengte van dagen in onaangepaste vorm dienen te blijven voortbestaan. In gewijzigde omstandigheden kan een herijking van zowel het niveau als de structuur van deze voorzieningen op zijn plaats zijn en kan het in een aantal gevallen niet onverstandig blijken een grotere nadruk te leggen op de individuele verantwoordelijkheid.

Een opvatting die ervan uitgaat dat de markt vooral wordt gekenmerkt door exploitatie, onderdrukking en vernietiging van het bestaande en waardevolle, van humaniteit en beschaving, gaat voorbij aan feit dat de markt in veel gevallen het meest efficiënte mechanisme is om goederen en diensten te produceren en distribueren, dat de markt ook veel waardevolle zaken, met name een enorme stijging van de maatschappelijke welvaart, kan creëren èn dat de markt inviduele creativiteit stimuleert alsmede een garantie kan bieden voor individuele vrijheid. Natuurlijk kan de werking van dit allocatiemechanisme worden verbeterd en hervormd. Maar een niet in alle opzichten ideaal werkend marktmechanisme wil nog niet zeggen, dat men met een simpele pennenstreek alle `zegeningen van de vrije markt naar het rijk der fabelen kan verwijzen'.

Dr. A. van Mourik is verbonden aan het Center for European Studies & Economische Faculteit van de Universiteit Maastricht.