De ideale reisgenoot

De komende tijd staat het reisboek in de schijnwerpers. De Stichting CPNB, bekend van de Boekenweek, heeft de periode van 7 tot 27 mei uitgeroepen tot de Weken van het Reisboek.

Men heeft het reisboek wel het rommelhok van de literatuur genoemd: het biedt onderdak aan autobiografische notities, essays en zelfs satire. Wilde men vroeger vooral waarheidsgetrouwe verslagen over verre landen en volken, tegenwoordig is de verslaggever belangrijker. En dát maakt het moderne reisboek zo aantrekkelijk: de mengeling van feitelijke beschrijving en persoonlijke beschouwing, die geheimzinnige wisselwerking tussen buiten- en binnenwereld.

Het reisboek is de ideale reisgenoot. Met de reisgids en de credit card behoort het tot de onmisbare reisbenodigdheden. De lectuur ervan past wonderwel bij het leven van iemand die de deur achter zich dichttrekt en een ongewisse toekomst tegemoet gaat. Het vermengt zich met de eigen ervaringen en voegt er wat geur en kleur aan toe. Het reikt je de hand en houdt je een spiegel voor; soms zelfs een lachspiegel, want het genre heeft, naast diepe gedachten en gevoelens, ook veel humor en vertier te bieden.

Wat was ik blij dat ik in het Groenlandse Scoresbysund het scheepsjournaal van William Scoresby bij mij had! Een vliegtuigje had mij vanuit Noord-IJsland naar een landingsbaan in het binnenland gebracht; vandaar was ik per hondenslee naar deze eskimo-nederzetting gehobbeld. Vanuit de verte zag het eruit als een Legoland-dorpje; eenmaal ter plekke viel vooral de vuilnisbelt van drankflessen, bierblikjes en karkassen op. Het was onzeker wanneer ik met een paar jagers op stap zou kunnen gaan. Geduld, luidde het wachtwoord. Vanuit mijn kamer had ik een prachtig uitzicht over de bevroren fjord en de besneeuwde bergkammen. Ik begroef mij in het logboek van de godvrezende Engelse walvisvaarder die deze kusten in 1822 had verkend en de diepe fjord naar zijn vader had vernoemd. Toen was hier nog geen dorp, maar de kapen en bergtoppen, die hij op een kaart had ingetekend, lagen nog precies zo aan de horizon. Gefascineerd keek Scoresby naar de witte wereld om hem heen en de raadsels die zijn omgeving herbergt. Ik herkende die blik. Overigens leidde ik in vergelijking met hem het leven van een saletjonker.

Tijdens een maandenlang verblijf op de Lapse toendra prees ik mij gelukkig dat ik een op mijn verblijf toegesneden reisbibliotheekje had meegenomen. Als aankomend antropoloog werd van mij enig veldwerk verwacht, maar daar kwam weinig van terecht, aangezien er slechts een handvol bejaarden in het gehucht was achtergebleven. Het boek van Marcellus Emants ('Op reis door Zweden') was een stuk spannender dan mijn dagelijkse leventje. Hij vond Lapland een wanhoopsoord, waar je pas goed kon ervaren hoe ver de mens van het paradijs was afgedwaald. Bijna honderd jaar voor W.F. Hermans' `Nooit meer slapen' gaf hij al een beeldende beschrijving van de muskietenterreur op de toendra: ,,Binnen weinige dagen is het gladste gelaat onherkenbaar geworden; het is in een landkaart herschapen waarop de talrijke bergketenen in reliëf zijn uitgewerkt, en voor de eigenaar is het een masker geworden dat met gloeiende spelden tegen het gelaat is aangedrukt.' Na een paar weken verveling viel de anti-romantiek van Emants bij mij in vruchtbare aarde.

Maar vaak weten reisboeken de reiziger uitstekend op te beuren. Staat de trein weer eens met een knars stil op de Veluwe, dan is dat een mooi moment om `China per trein' van Paul Theroux tevoorschijn te halen. Wees blij dat u zich niet tussen al die rochelende en spugende Chinezen bevindt die het toilet in een zwijnenstal hebben veranderd!

Vooral Britse schrijvers weten hoe zij de lezer moeten amuseren. Buiten Engeland kijken zij verwonderd om zich heen, als antropologen die een kampong bezoeken, en gedragen zij zich als goedwillende dilettanten die daardoor van de ene hilarische situatie in de andere rollen. Evelyn Waugh is een goed voorbeeld. In Zuid-Amerika waagde hij zich eens in het tropische oerwoud. Het beviel hem niets. Voortdurend hoorde hij bekende geluiden - loeiende koeien, baggermachines - die echter een onbekende oorsprong hadden. Vooral het luide gezoem van de `zes-uur-kever' werkte op zijn zenuwen. De gids vertelde hem dat de kever altijd om precies zes uur begon te gonzen.

`Maar nu is het kwart over vier', merkte Waugh op.

`Ja, dat is nu juist zo interessant', reageerde de gids.

Op vele andere tijdstippen liet de kever eveneens van zich horen en Waugh verwijst het verhaal over woudlopers die aan de hand van junglegeluiden de tijd kunnen bepalen dan ook naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Ook Eric Newby brengt graag verslag uit van zijn gestuntel in barbaarse streken. Ooit deed hij, als niet-alpinist, een poging een Afghaanse berg te beklimmen. Bij herhaling liet de berg een stenenregen op hem neerdalen. Newby begon te mopperen over `gedemoraliseerd graniet' en Afghanen die niet in staat waren een fatsoenlijke berg te bouwen. Halverwege keerde hij terug, roetsjend over een ijshelling, wat bijna fataal afliep.

Paul Theroux heeft een reputatie hoog te houden als het gaat om je slechte humeur afreageren op het gastland. In een reisboek over het mediterrane gebied typeert hij de Spaanse kust kortweg als een `reeks vetvlekken'. Malta wordt bevolkt door kelners en kappersbedienden en Gibraltar is een achterlijke plek, maar dat moet ook wel wanneer men ergens de `Britse marinetradities van rum en sodomie' te lang handhaaft.

Adriaan van Dis wordt eveneens vaak door het gevoel bezocht dat hij in een verkeerd decor is terechtgekomen. Net als Theroux gruwt hij van Chinese tafelmanieren, terwijl ook de levensstijl van Zuid-Afrikaanse Boeren hem woedend maakt: ,,De hele dag over schapen lullen en 's avonds naar de stomste televisie kijken in een huis vol prullen.'

Theroux heeft een hekel aan toerisme, Van Dis haat wansmaak. Hun boeken zijn soms net zo negatief als oude reisverslagen die vaak bol stonden van de afwijzingen en vooroordelen. Het is een illusie te denken dat reizen per definitie de geestelijke horizon verruimt en afrekent met stereotypen. In de verhalen van andere reisauteurs, die zich niet mijlenver verheven voelen boven de toerist, zoals globetrotter Herbert Paulzen, rugzakreiziger Dolf de Vries en wereldfietser Frank van Rijn, ontbreekt die neerbuigende houding. Immers, wie met een hoofd vol romantische dromen naar een bepaald land reist, is minder geneigd tot ironie of sarcasme.

Neem Ierland. Daar zijn veel gevoelige reisboeken over geschreven, ook door Nederlanders. Het lijkt wel of dit land, met name het stenige, `magische' westen, het beste in de reiziger naar boven haalt. `Naar Ierland varen' van Jan van der Vegt is een hommage aan het melancholieke Ierland dat naar turf en whiskey ruikt. Bij een glas donker bier luistert hij naar de verhalen van bejaarde vissers; in een winkeltje staart hij als betoverd naar een meisje met een smal gezicht en lang zwart haar - `ze lijkt ingetogen als een novice, tot ze haar ogen opslaat'.

Of IJsland. Niemand uitte zich zo gepassioneerd en romantisch over dit fascinerende, barre land als de keltoloog A.G. van Hamel. `Land van mijn hart en mijn smachten', schreef hij in `IJsland oud en nieuw' (1933). ,,In me is een stem die juicht van vreugde en dankbaarheid dat ik hier weer zijn mag in de wilde onbegrensdheid van dit groote land.'

Reisverhalen vergroten het reisgenot zou het motto moeten zijn voor de Weken van het Reisboek.

Op de website www.reisboekwinkel.nl is informatie te vinden over Nederlandse reisboekwinkels

Van Gerrit Jan Zwier is bij uitgeverij Atlas onlangs het reisdagboek `Al dwalend' verschenen.