De Dam is nu zelf een gewijd Monument

Nu de hoofdstedelijke Dam een metamorfose heeft ondergaan, is het plein zelf een monument geworden, meent Peter Schat. Een volgende stap moet zijn dat de rituelen die zich op het plein afspelen worden vernieuwd. Voor de kermis is geen plaats meer.

Het is al enige tijd zichtbaar dat de inmiddels een half jaar aan de gang zijnde verbouwing van het Damplein een groot succes wordt. Voor het eerst in zijn lange en grillige geschiedenis wordt het plein een eenheid, een kamer in de stad die een grote menigte kan bevatten – een nieuwe agora. Dit wordt voornamelijk bereikt door een pleinbreed tapijt van blauwgrijze en zachtgele natuursteentjes die in Portugal uit de rotsen zijn gehakt, en hier tot in alle uithoeken van het plein in waaiervormige mozaïeken zijn vastgelegd. De tramrails zijn in dit tapijt meegemetseld en de bovenleidingen worden tussen de tien schitterend omhoog priemende zilverstalen lichtmasten gespannen. Samen met de spiegelende stoeplantaarns ontmaskeren zij en passant genadeloos het protserige belichtingsgeknoei op Damrak, Rokin en Nieuwmarkt. De kleine marmeren zitbankjes komen terug maar verder is alle straatmeubilair zoveel mogelijk weggelaten.

De verschillende verkeersstromen – trams, voetgangers, auto's en fietsers – zijn van elkaar gescheiden met lage, brede stoepranden van lichtbeige natuursteen, door hardstenen zebrapaden en in wit marmer uitgezaagde fietsprofielen. Alles ademt duurzaamheid en is door een legertje vaklieden met de hand gelegd. Het is of het plein zijn uiteindelijke vorm na een half millennium zoeken tenslotte gevonden heeft.

De revolutionaire metamorfose van verkeersplein tot bezoekersplein – het plein is er niet langer ten bate van het verkeer, maar andersom – is mede gelukt door de opoffering van een strategisch deel van de rijweg ten bate van terrassen in de zon. Voor de afwatering heeft het plein een fraaie bolling gekregen, als van een eierschaal, waardoor het regenwater naar smalle stalen gootjes wegvloeit en het grove vuil overblijft voor de straatstofzuigers.

Aan de kant van het Monument zijn zeventien acacia's geplant met tussen de wortels gevlochten brede, met cocos omwikkelde slangen – voor de beluchting onder de eierschaal (waar zich ook alle technische en elektronische voorzieningen bevinden). Het grondwater kan voor voldoende vocht voor de bomen zorgen.

Door deze grootse, 35 miljoen gulden kostende operatie, is het hele plein nu zelf een monument geworden, met drie duidelijke spanningsvelden: het republikeinse Stadspaleis, de torenloze Nieuwe Kerk en het Nationale Monument. Dit zijn de drie protagonisten uit een historisch drama. Naast hen scharen zich de verschillende personages uit het dagelijks leven om het plein, de een architectonisch wat beter geslaagd dan de ander: de bank, het warenhuis, het kantoor, het hotel, het kledingmagazijn en de reisbureaus.

Het Stadspaleis stamt uit de tijd dat voor het eerst in de geschiedenis een republikeinse staat de Kerk terzijde schoof, waardoor de bloedig bevochten scheiding tussen kerk en staat mogelijk werd die nu overal in Europa (behalve natuurlijk in Vaticaanstad) een heilzaam feit is. De Nieuwe Kerk is de inmiddels volkomen geseculariseerde ruimte waarin de verschillende wereldreligies in prachtige tentoonstellingen hun emancipatie tot kunst laten zien. Inderdaad: `De weg naar de hemel', zoals de tentoonstelling heette die daar onlangs werd gehouden.

Tegenover deze beide actoren staat, in zijn zes zwartgranieten ringen monumentaler dan ooit, het Monument voor de doden, het oorlogsmonument waar de politieke rituelen plaatsvinden. Door de geslaagde opheffing van de tweedeling van het plein is het Monument nu het centrale punt in de ruimte geworden. Het hele plein zelf is daarmee het Monument: een monument om duizend jaar te gedenken dat wij in de twintigste eeuw op het nippertje en zonder veel eigen verdiensten aan de hel van het Duizendjarig Rijk ontkomen zijn. Zo'n ultieme plek, midden in een levende en bloeiende gemeenschap, zou in meer godsdienstige tijden `heilig' genoemd worden – en als zodanig behandeld.

Vooral sinds 1918 zijn de mensen monumenten gaan oprichten niet zozeer om overwinningen te vieren als wel om de onvoorstelbare ellende niet te vergeten, zoals men van nature geneigd is te doen. Monumenten zijn er niet `om te prikkelen en te confronteren', zoals onlangs bij de plannen voor een slavernijmonument nog werd aanbevolen (want zoiets is, net als alle modeverschijnselen, al snel uitgeprikkeld) maar monumenten zijn machines tegen het vergeten. De manier waarop mensen ermee omgaan is bepalend voor hun beschaving. De politieke rituelen bij het Monument zijn nog steeds door en door gemilitariseerd, zoals onlangs bij de eerste kranslegging (die van de Turkse president) op het nog onvoltooide plein te zien was. Ook de Dodenherdenking, het belangrijkste en meest zinvolle ritueel van het jaar, wordt gekenmerkt door uniformen, veel vertoon van krijgshaftigheid en de onvermijdelijke `nooit meer!'-toespraken. Men is nog steeds de Tweede Wereldoorlog aan het winnen. Dit zal wel zo doorgaan tot de laatste veteraan langs is geweest, maar daarna zal men toch moeten proberen het ritueel te vernieuwen en te demilitariseren.

In de veertig jaar dat ik als buurtbewoner de Dodenherdenking op de Dam heb meegemaakt (al was het alleen maar om twee minuten de ongelofelijke, door mensen gemaakte stilte te beleven) heb ik altijd medelijden met de bloemen gehad. Zoals die behandeld worden – dat went nooit. Ze worden daar maar braaf neergelegd, onzichtbaar in hun verpakking, om de volgende dag snel te verleppen tot `de afgesneden geslachtsdelen van planten' die het dan zijn geworden.

Waarom staan er geen aarden kruiken met water waar de mensen hun bloemen in kwijt kunnen zodat die, anders dan degenen die herdacht worden, op hun eigen tijd kunnen sterven? En waarom geen vruchten neergelegd, voor bezoekers, zwervers en daklozen? Het zou het ritueel zoveel inleefbaarder maken voor de velen onder ons die uit zuidelijker culturen afkomstig zijn.

En waarom niet meer met muziek gedaan? Men zou met de akoestiek van het plein quadrafonische koralen ten gehore kunnen brengen met de vele buitenorkesten, de vele symfonische harmonieorkesten die Nederland rijk is – vraag maar aan Kerkrade. Twee orkesten aan weerzijden van Paleis en Monument. Daarbij zouden de niet te overtreffen koraalbewerkingen van Bach uit het begin van de Verlichting wat mij betreft nooit mogen ontbreken. Naast natuurlijk nieuw werk,uit alle windstreken.

Doordenkend in deze richting is het bericht dat de gemeente van plan is om na de Dodenherdenking de kermis op het nieuwe plein te pleuren bijna niet te geloven. Vanwege de poen, natuurlijk. De gedoogpest van het consumentisme, de geestelijke mond- en klauwzeer van de commercie heeft Damrak en Rokin al in z'n greep – nu is de Dam aan de beurt. Wie van de gemeentelijke Stoperaliefhebbers het op z'n geweten heeft het meesterwerk van Simon Sprietsma en de zijnen op de meest bijzondere plek van het land zonder dralen te ontwijden met een platte kermis, met olie- en vetvlekken en andere beschadigingen – en vooral met een maniakaal-krankzinnige herrie die een hele woonwijk een week lang psychisch onbewoonbaar kan maken – zal wel voor eeuwig in de bureaucratische hooiberg onvindbaar blijven. En dat alles voor een paar extra belastingcenten die door een wurgend opgeschroefde kermisbelasting de onderste en jongste laag van de bevolking uit de zakken wordt geklopt.

Wat een huisjesmelkersmoraal, wat een schandaal! Dit is geen kwestie van smaak meer (want er is natuurlijk niets tegen een kermis) maar van beschaving. Zoals het geen kwestie is van smaak maar van beschaving om niet in het nieuwe tafellaken je neus te snuiten (zoals nog niet eens zo lang geleden gebruikelijk was). Is dit de vrucht van de `moet-kunnen'-cultuur? Zijn er werkelijk niet genoeg zinnige bestuurders in Amsterdam die kunnen verhinderen dat de gemeente haar neus in haar eigen nieuwe tafellaken snuit?

Onlangs las ik bij Simon Schama dat deze stad in de Gouden Eeuw goed bestuurd werd. Jeminee, dacht ik, dat kan dus ook. De dure nieuwe deelraad kan in ieder geval meteen aan de slag.

Peter Schat is componist.