Trapveldjes tegen de e-kloof

Groningse zwervers die een eigen e-mailadres krijgen, gemeentewerken die per elektronische post geattendeerd worden op een losliggende stoeptegel. Ook de onderkant van de samenleving moet nu en masse aan de ICT. Internettrapveldjes kunnen helpen de kenniskloof te overbruggen.

Hoe groot kan een contrast zijn? Aan de noordoever van de Nieuwe Maas, bij de Rotterdamse Schiehaven, hebben tientallen techneuten zich met hun dotcoms en bedrijven in webdesign gevestigd in het prestigieuze Lloyd-kwartier – het Silicon Valley aan de Maas. Ze vormen het neusje van de zalm op informatie- en communicatietechnologisch vlak en doen een serieuze poging ICT-hoofdstad Amsterdam naar de kroon te steken.

De blik op al dat goud raakt echter al snel vertroebeld. Het Lloyd-kwartier maakt deel uit van de Rotterdamse deelgemeente Delfshaven en staat in schril contrast met de rest van de buurt. In politiek correcte termen heet die een aandachtswijk, in de volksmond een achterbuurt. De cijfers: 69 procent van de bewoners is allochtoon, 38 procent jonger dan 25 jaar en 20 procent is werkzoekend. Ook het gemiddelde inkomen van de wijkbewoners is opvallend laag: 34.750 gulden.

Schoorvoetend zetten de bewoners er op minister Van Boxtels (Grotesteden- en Integratiebeleid) `digitale trapveldjes' hun eerste schreden online. Van de 73.000 bewoners maken 700 mensen gebruik van dat ene trapveldje. Hoewel het niet al goud is dat er blinkt, raken bewoners enthousiaster. Maar óf en hoe snel de afstand tussen straatcrimineel en computer overbrugd kan worden, is de vraag. ,,Ik ga natuurlijk niet zeggen dat zoiets kan'', zegt minister Roger van Boxtel tijdens een werkbezoek aan een aantal van dergelijke trapveldjes in Emmen, op de vraag om te reageren op de ogenschijnlijk onoverbrugbare afstand van crimineel en computer. ,,Het zijn twee uitersten. Maar je moet toch ergens beginnen? En zonder dat ik mijzelf wil ophemelen durf ik te zeggen dat de trapveldjes een groot succes zijn. Ze zijn ook hard nodig. Een druppel op een gloeiende plaat? Ik weet het niet.''

Onlangs beklemtoonde een overheidscommissie die werd voorgezeten door Schiphol-directeur Gerlach Cerfontaine het belang van informatie- en communicatietechnologie in de (grote) stad. Deze adviseerde allengs een investering van 600 miljoen gulden voor de komende vier jaar in ICT en de stad. Volgens de onderzoekers is het nuttig en tegelijkertijd noodzakelijk om te investeren in ICT. Nuttig omdat ze een bijdrage kan leveren aan het oplossen van de grootstedelijke problemen, noodzakelijk omdat ze in de toekomst steeds belangrijker zal worden wegens de realisatie van een stevige concurrentiepositie.

De opkomst van internet is eigenlijk vergelijkbaar met die van televisie: in eerste instantie waren het de welgestelden die erover konden beschikken, later werd het pas een algemeen goed. De communicatiewetenschappers Van Cuilenburg, Scholten en Noomen stelden in 1991 ,,dat een snelle en grootschalige introductie van elektronische consultatiemedia kan leiden tot een onaanvaardbare vergroting van de maatschappelijke ongelijkheid in informatiekansen''. Het Centraal Plan Bureau (CPB) constateerde iets soortgelijks. De wetenschappers stellen dat ,,of een tweedeling van een samenleving tussen informatie-armen en informatierijken zich blijvend zal voordoen in hoge mate afhankelijk is van het door de overheid gevoerde beleid''.

Rotterdam telt inmiddels drie digitale trapveldjes waarmee Van Boxtel de kloof tussen de informatie-armen- en -rijken denkt te verkleinen: twee in Delfshaven, één in Feijenoord. Binnenkort komen er nog eens zes bij. In heel Nederland zijn er al zo'n twee- à driehonderd gerealiseerd of in de planning, gefinancierd uit een overheidspotje (20 miljoen gulden) en het bedrijfsleven. Bewoners van de aandachtswijken leren er zaken als e-mailen, omgang met internet en wat dies meer zij. Ook kunnen zij er soms terecht voor een ICT-gerelateerde opleiding. Het zou de gebruikers, de informatie-armen, tevens een betere kans op informatievergaring bieden, waardoor de achterstand op de informatierijken kan slinken.

Deelgemeente Delfshaven, Rotterdam. De tram van de inmiddels beruchte lijn 7, nog enkele haltes van eindbestemming Spangen verwijderd, dendert over de Schiedamseweg langs dichtgespijkerde deuren en ramen. De tram is knaloranje geverfd en met witte letters schreeuwt een van Neêrlands grootste internetcafés om klandizie. Vanaf een rijksdaalder per uur kan er in hartje Rotterdam geïnternet worden. Maar de stad is ver en het is redelijk duur. Sowieso zullen niet veel anderen dan jongeren die stap wagen. Daartoe is er nu ook internet om de hoek. Het oudste trapveldje van Rotterdam is gevestigd in de G.K. van Hogendorp, een school in de wijk Bospolder-Tussendijken, grenzend aan Spangen. Overdag maken leerlingen van de school en pupillen van omliggende basisscholen gebruik van de computerfaciliteiten, maar 's avonds is het de beurt aan andere buurtbewoners.

,,Het loopt als een trein'', vertelt leraar en trapveldcoördinator Arie Nouwen. ,,We hebben al een wachtlijst, terwijl we pas sinds september open zijn. Ik heb het idee dat we redelijk wat mensen bereiken. De Turkse en Marokkaanse gemeenschap zijn hier op het trapveldje zeer actief. Jammer genoeg loopt de Surinaamse gemeenschap niet warm.'' Terwijl Nouwen uitleg geeft over het trapveldje, geeft de 19-jarige Ömer Kurnaz computerles aan de eerste klas van de school. Al tijdens de aardrijkskundeles, voorafgaand aan het ICT-uurtje, blijkt hoezeer de leerlingen zich op die les verheugen. ,,Yes, nu gaan we internetten'', klinkt het, terwijl leerlingen vlug hun atlas inleveren en naar de zolder (het trapveldje) spurten.

Nouwen is blij met het enthousiasme, maar tempert niettemin de gedachte dat de kinderen er puur voor hun lol zitten. ,,Het is natuurlijk wel de bedoeling dat ze hier iets van opsteken. Omgang met Outlook, Word en e-mail is belangrijk. Ze zitten hier dus niet alleen maar te chatten.'' Toch lijkt het project een druppel op een gloeiende plaat. De deelgemeente telt 73 duizend inwoners, zo'n zevenhonderd daarvan maken gebruik van het trapveldje. Delfshaven springt daarop in door binnen drie jaar in elke wijk van Delfshaven een trapveldje te vestigen. Ook in de wijk Feijenoord, waar werkloosheidspercentage en gemiddeld inkomen nagenoeg gelijk zijn aan die van Delfshaven, is de komst van nog eens zes trapveldjes gepland.

Dat alles in schril contrast met het verderop gelegen Lloyd-kwartier. Ooit vertrekplaats van de Holland-Indiëlijn, eenmaal functieloos verworden tot broedplaats voor krakers en hoeren en nu aangewezen als binnenstedelijke Vinex-locatie. Trendy geklede jongeren verdienen er soms verrassend veel geld met hun dotcoms en bedrijven in webdesign. De aantrekkingskracht van het Lloyd-kwartier vindt onmiddellijk zijn economische weerslag op de rest van de deelgemeente. Economische vitaliteit gegarandeerd, zo luidt het devies. Volgens projectontwikkelaar Aldo van Kleef zal Delfshaven uitgroeien tot een van de betere buurten van Rotterdam. Het lijkt misschien een schier onhaalbare kaart, maar de projectontwikkelaar is er heilig van overtuigd.

Nu al blijkt dat, hoewel er hier en daar hard aan wordt gewerkt, de verschillen tussen informatierijk en informatie-arm nog steeds groot zijn. ,,Dat is het leuke van internet'', zegt gelegenheidsonderzoeker Cerfontaine. ,,Het is overal, maar niet voor iedereen even snel beschikbaar. Je maakt er het ongenoegen groter door. Maar ik hoop dat internet de contrasten zichtbaar maakt. Dan kunnen we namelijk aan de slag gaan.'' Want, zo hoopt en verwacht Cerfontaine, internet kan helpen bij het herstel van de balans tussen overheid en burger. Daarbij moet de vraag naar informatie van de burger vandaan komen. ,,Hij moet wíllen weten dat er bij hem om de hoek een vuurwerkopslag is. Hij moet wíllen uitzoeken of de disco waar zijn kinderen heengaan wel brandveilig is. Dan moet je de burger natuurlijk wel de mogelijkheid bieden over de gewenste informatie te kunnen beschikken.''”

De burger moet volgens Cerfontaine betrokken raken bij de wijk, bij het onderwijs. Voorwaarde daarvoor is een gedecentraliseerde overheid, hetgeen ook Van Boxtel propageert. Die zou namelijk veel dichter bij de burger staan en ook sneller in actie kunnen komen. Cerfontaine refereert daarbij aan de cultuuromslag die de commissie-Oosting naar aanleiding van Enschede bepleit. Internet is volgens Cerfontaine daarbij een middel om burgers weerbaarder en mondiger te maken. ,,Als een burger de informatie heeft, kan hij ook gaan reageren. Op een gegeven moment ligt het initiatief dan niet meer bij de overheid, maar bij de burger.''

Het idee heeft veel weg van de Digitale Stad, dat enkele jaren geleden met veel bombarie werd gepresenteerd en onder meer als doelstelling had de burger mondiger te maken. Burgers konden via het net vragen stellen, hun paspoort of rijbewijs verlengen en zodoende directer betrokken raken bij het stadsbestuur. De Digitale Stad werd een groot fiasco, mede door de gebrekkige belangstelling. Cerfontaine wuift de kritiek weg: ,,De Digitale Stad kwam gewoonweg te vroeg. Is de huidige aanpak dan de ultieme oplossing? Nee. Maar je kan wel langzaam een proces op gang proberen te krijgen. Je zal per slot van rekening toch ergens moeten beginnen. Beter nog: we moeten een cultuuromslag zien te bereiken.''

    • Stijn Hustinx