Schrijven over de oorlog is altijd moreel geladen

De Tweede Wereldoorlog belichaamt de zondeval van de mens in de 20ste eeuw en dus is haar geschiedschrijving niet alleen zuivere wetenschap maar ook de vrucht aan de boom van de kennis van goed en kwaad, meent Jan Bank.

Grijs verleden heet het boek van historicus en radiojournalist Chris van der Heijden. Het is een historisch essay over Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Het is inmiddels aan een vierde druk toe en valt blijkbaar in vruchtbare bodem. De gekozen kleur van de omslag sluit een zwart-witvoorstelling uit. Dat komt overeen met de stelling van de auteur, dat de Nederlandse bevolking de periode van nationaal-socialistische onderdrukking voornamelijk doormodderde en soms meer zijns ondanks werd betrokken in een keuze tussen goed en fout.

Grijs verleden is een boek in de traditie van de relativerende voorstelling van de bezetting, waarop tot dusver in de eerste plaats romanschrijvers het patent hadden: Simon Vestdijk bijvoorbeeld al kort na de oorlog of, als het een raadselachtige of cynische voorstelling betrof, Willem Frederik Hermans.

Het essay van Van der Heijden is meer een polemische hergroepering van bestaande gegevens en inzichten dan een oorspronkelijk onderzoek. Het is een tegendraadse bijdrage in een moreel debat over de Tweede Wereldoorlog en niet zozeer een volgende stap in een wetenschappelijke discussie. Want er bestaat een nationaal oorlogsverleden als thema van publieke gedachtewisseling en er is een oorlog als thema van geschiedwetenschap.

Dat onderscheid is een variant op wat de historicus Hans Blom in zijn Amsterdamse oratie in 1983 heeft onderverdeeld in morele oordeelsvorming en verklarende analyse. Beide leiden een eigen leven of zijn, hoewel natuurlijk onafscheidelijk, in ieder geval wel van elkaar te onderscheiden; het onderscheid tussen de oorlog beoordelen en de oorlog verklaren.

De vroegste vorm van een morele oordeelsvorming was de politieke rechtspraak, waarin collaborateurs en meelopers met het nationaal-socialistische regime werden veroordeeld, en de grote parlementaire enquête naar het beleid van de achtereenvolgende regeringen in ballingschap in Londen, die een mengeling van goedkeuring en kritische conclusies heeft opgeleverd. In die allereerste fase werd ook het winnende geschiedbeeld geboren van een Nederlandse natie waarvan de meerderheid der burgers de onderdrukking van de nazi-dictatuur heeft weten te weerstaan en waarvan een heroïsche minderheid haar in verzet is voorgegaan. De naoorlogse samenleving was op die overtuiging gebaseerd. Zij was zelfs een belangrijke rechtvaardiging van de gezamenlijke krachtsinspanning van een wederopbouw.

De grote wetenschappelijke studie van de oorlog is L. de Jongs geschiedwerk over Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Het begon te verschijnen in de jaren '60, maar is gedeeltelijk nog een echo van deze heroïek. Maar de auteur is veel kritischer ten aanzien van de omvang van de collaboratie en van de aanpassingsbereidheid in de Nederlandse samenleving. De Jong is een tijdgenoot en schrijft in feite voor tijdgenoten. Hij wil voor zijn lezers een epos vertellen en hun op die manier de kans bieden hun eigen ervaringen in te passen in de grote gang van de bezettingsgeschiedenis. Hij is, met merkbare emotie, nadrukkelijk de getuige van het kwaad van vervolging en collaboratie en van het heldhaftig verzet. Zo vormt zijn werk een overgang tussen de naoorlogse consensus en de kritische herwaardering van het Nederlandse oorlogsverleden in de jaren zestig.

Het is juist ook in dat decennium, dat het maatschappelijk beeld van de Tweede Wereldoorlog in hoofdzaak bepaald ging worden door de misdaad van de jodenvervolging. Tegelijkertijd begon de herinnering aan de nationaal-socialistische onderdrukking te vervagen. De accentuering van de jodenvervolging bracht de voormalige omstanders van de deportaties in gewetensnood. In Nederland ontstond het begrip van de passieve collaboratie – medeplichtigheid van de bevolking aan een Duitse misdaad door toe te zien of vervolging te gedogen. Op deze wijze ontstond een nieuw en kritisch beeld van de Nederlandse natie in de Tweede Wereldoorlog; de gemiddelde burger was niet langer enkel slachtoffer van onderdrukking, maar ook omstander bij deportaties.

Er ontstond tenslotte zelfs een opmerkelijke discrepantie tussen het maatschappelijk debat over de oorlog en de historische studie ervan. Want het is typerend, dat in de officiële politiek de conclusie al is getrokken dat de oorlogsgetroffenen in het Nederland van 1945 konden rekenen op een kille ontvangst, terwijl het even officiële wetenschappelijk onderzoek daarnaar pas eind dit jaar moet worden afgesloten. Het betekent, dat maatschappelijk gesproken de kille ontvangst al vaststaat, voordat het wetenschappelijk is bewezen. Het kan zijn dat het komende onderzoek uiteindelijk nuances aanbrengt of verklaringen produceert die inzicht geven in bepalende omstandigheden van 1945 en de kracht van een zedelijke veroordeling verkleinen. Maar deze zedelijke veroordeling is reeds een feit en haar effecten zijn dat ook.

Het onderscheid blijft zichtbaar, ook nu in de wetenschappelijke geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog een wending valt waar te nemen van een nationale naar een Europese gezichtshoek. Dat wil zeggen dat de bezetting van Nederland niet langer alleen in vaderlands perspectief wordt onderzocht, maar dat historici de nationale lotgevallen in een vergelijkend kader plaatsen en beoordelen. Daaruit is gebleken dat uit Nederland, in vergelijking met andere bezette landen in West- en Noord-West-Europa, een opvallend groot aantal joodse burgers is gedeporteerd en vervolgens vermoord. Deze conclusie is een nieuwe kritische factor in het maatschappelijk beeld van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Maar die conclusie roept ook om een wetenschappelijke verklaring en die bestaat tot dusver vooral uit aanduidingen. Nu de Tweede Wereldoorlog de maatstaf representeert van de zondeval van mensen in de 20ste eeuw, is haar geschiedschrijving niet alleen zuivere wetenschap maar ook de vrucht aan de boom van de kennis van goed en kwaad.

Prof.dr. J.Th.M. Bank is hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis aan de Universiteit Leiden.