Oppervlakkige frivoliteit van Berlioz

Het beste en interessantste dat kan worden gezegd van Berlioz' Béatrice et Bénédict, gisteren in première gegaan bij de Nederlandse Opera, is dat het kunst is over kunst, opera over opera. Zo ziet men Berlioz (vermomd als Somarone) op het toneel, nog even wat componerend voor hoboïst Jan Spronk, zich ergerend aan verwarde koorzang en aanwijzingen gevend hoe dirigent Edo de Waart het Koninklijk Concertgebouworkest moet leiden. Berlioz citeert de Donizetti-stijl in de eerste aria van Héro en zingt zelf ook nog een drinklied op de wijn van Syracuse, staande op een lange tafel. Hij herinnert daarmee aan de scène in zijn eigen opera La damnation de Faust, waarin Brander een drinklied zingt voor de studenten in Auerbachs Keller in Leipzig. Offenbach citeerde deze scène weer twintig jaar later in het lied over de legende van Kleinzach in Les contes d'Hoffmann.

En natuurlijk herinnert het verhaal naar Shakespeares Much Ado About Nothing aan Mozarts Così fan tutte, waarop het een complement lijkt. Così, met twee jonge mannen die wegens een weddenschap elkaars verloofden het hof maken, gaat over de georganiseerde afbraak van de liefde. Béatrice et Bénédict behandelt op cynische wijze de maakbaarheid van de liefde. Middels een complot van de omstanders worden Béatrice en Bénédict, die elkaar verachten, in de waan gebracht dat ze hevig verliefd zijn op elkaar. Als ze tenslotte de intrige doorzien, maakt dat hun niet uit. Al zijn bij Béatrice en Bénédict de zinnen niet gestreeld, hun ego is dat wel. En dus begraven ze zich graag in het sociaal zo wenselijke maar dodelijke huwelijk en komt de bruidstaart op.

Ook de ontstaansgeschiedenis van de opera Béatrice et Bénédict, die in première ging in Baden-Baden, wordt nog behandeld in deze voorstelling van Tim Albery. We zien een golvende tuin der lusten in een luxueus kuuroord. Op de achtergrond de Etna, zoals in het Napolitaanse Così fan tutte de Vesuvius de scène beheerst met de dubbelzinnige liefdessymboliek van de vulkaan: schijnbaar dood óf vurig uitbarstend. Een rij schuin omhoogstaande cypressen zorgt nog voor veel extra geheel ondubbelzinnige fallussymboliek.

Het slechtste en teleurstellendste dat over Béatrice et Bénédict kan worden gezegd, is dat deze Nederlandse première na bijna 140 jaar out of place en out of time is. Het verhaal met Franse zang en Engelse gesproken dialogen wordt gebracht als een oppervlakkige capricieuze frivoliteit, het voorhouden van een goedkope lachspiegel aan de bourgeoisie. Dat was ook lang het verwijt bij Mozarts en Da Ponte's Così, tot regisseurs eindelijk de tragiek doorzagen van het doorprikken van de illusie dat ware liefde bestaat en dat deprimerende vooruitzicht voor de rest van het leven ook toonden.

Maar in Berlioz' en Shakespeare's satirische klucht Béatrice et Bénédict weet Tim Albery geen werkelijke diepgang te leggen. Deze productie illustreert het verhaal slechts, als was het operette oude stijl, ook nog met veel traagheid. De beelden tijdens de ouverture zijn letterlijk slaapverwekkend saai. De voorstelling komt pas na een uur op gang, als vlak voor de pauze de intrige met de misleiding van Béatrice en Bénédict begint.

Jammer is ook dat Berlioz zo weinig èchte mooie lekkere langzame typische Berlioz-muziek schreef en soms praat hij er zelf nog hinderlijk doorheen. Prachtig, ook heel mooi vloeiend gezongen, is het duet van Héro (Mary Dunleavy) en Ursule (Patricia Bardon) vlak voor de pauze, herinnerend aan de languissante sfeer van Berlioz' liederencyclus Les nuits d'été. Na de rust wordt hetzelfde nog eens herhaald: voorafgegaan door een heftige, net niet perfect gezongen solo van Béatrice (Sara Fulgoni), uitmondend in een terzet. Met nog wat hemelse muziek, die het niet haalt bij de celestijnse sfeer aan het slot van La damnation de Faust, zijn we er dan wel. Bénédict (Paul Groves) komt niet veel verder dan brallen, geen wonder dat Berlioz (Jean-Philippe Courtis) aan het slot zo gedesillusioneerd is.

Shakespeares `much ado about nothing' geldt zowel voor Béatrice et Bénédict als voor het Koninklijk Concertgebouworkest en Edo de Waart in de bak, die zich tussen de vele spreekteksten door mogen laten horen. Was dit toporkest tijdens dit Verdi-jaar hier maar ingezet voor een superieure Verdi (Don Carlo), of, als het komisch moest wezen, in Strauss' Der Rosenkavalier.

Voorstelling: Béatrice et Bénédict van H. Berlioz door de Nederlandse Opera en het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Edo de Waart m.m.v. o.a. Sara Fulgoni, Paul Groves, Jean-Philippe Courtis, Christopher Schaldenbrand, Mary Dunleavy en Jonathan Best. Decor en kostuums: Antony McDonald; regie: Tim Albery. Gezien: 1/5 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 18/5.