Neeltje

De twee vragen die mij als schrijver van deze rubriek het meest gesteld worden, zijn: 1. Heb je altijd een reservestukje klaarliggen? 2. Hoe gaat het met je zwerfkat?

Het antwoord op de eerste vraag luidt: nee. De tweede vraag is moeilijker te beantwoorden. Ik heb nogal wat verwachtingen gewekt toen ik half december beschreef hoe wij de poes Neeltje, die een jaar of vier in Amsterdam-Zuid had rondgezworven, `liefdevol in ons gezin opnamen'. (De ironische aanhalingstekens staan er op verzoek van Neeltje, zij háát nobele adoptiepraat.) Ik vertelde een week later hoe de aanpassing verliep. ,,De kat begint dus aan de eigenaar te wennen. Nu de eigenaar nog aan de kat. Want dat vergeten de dames en heren katten nogal eens: dat zij van ons meer vergen dan wij van hén.''

We zijn nu ruim vier maanden verder. Het gaat redelijk goed, maar de eigenaar is nog steeds niet helemaal gewend. Onze aanpassing verloopt stroever dan we verwachtten, maar we maken hoopvolle vorderingen.

In het begin waren we wat te euforisch wegens de hoge schattigheidsgraad van Neeltje. Ze was een mooie, cyperse kat van ruim tien jaar met ogen als heldere, groene meren en ze vertoefde graag in onze nabijheid. Later merkten we dat directe koestering alleen mag plaatsvinden als we vooraf de door haarzelf geschreven gebruiksaanwijzing hebben geraadpleegd. Zo wordt ze het liefst zonder handen geaaid. Althans, zonder dat de aaiende handen zichtbaar worden.

Zij heeft iets tegen handen. Het zijn in haar ogen rare, fladderende vogels waarvan je als kat weinig goeds te verwachten hebt. Opeens kun je er een geweldige oplawaai van krijgen. Vroeger, toen ze nog op straat zwierf, moet ze veel last hebben gehad van die handvogels. Ook van voetvogels trouwens. Dat zijn voeten van mensen die plotseling op haar afkomen. Dan deinst Neeltje verschrikt achteruit en schiet onder de bank.

Neeltje heeft dus een jeugdtrauma misschien een van de redenen waarom ze zo graag op de divan ligt. Er zit voor ons niets anders op dan haar met de grootst mogelijke omzichtigheid te strelen. Wij krijgen er soms lamme handjes van. Neeltje laat zich bij voorkeur aaien als ze bij je op schoot ligt met haar kont naar je toegekeerd. Dan hoeft ze die handjes niet te zien.

Zij is eenkennig. Vreemdelingen komen er bij haar niet in. Eén wantrouwige knipoog wijdt ze aan hen en taait dan af naar de slaapkamer. Ze voelt elke vorm van onheil tien seconden eerder dan wij. Waarom springt ze nu weer weg? O, er zit een bromvlieg in de kamer.

Eten doet ze met grote kieskeurigheid. Niet elke dag hetzelfde, ja? We dachten toch niet dat zij vroeger als zwerfkat altijd bruine bonen at? Nou dan.

Soms, als ze humeurig is, slaat ze een klauwtje uit. Daarna springt ze op schoot. Je moet me nemen zoals ik ben, snort ze dan. Dat doen we.