Nederland moet kleur bekennen inzake Europa

Het pleidooi van de Duitse bondskanselier Schröder voor een Europese regering heeft in Nederland nog geen reacties uitgelokt. Naar de reden kan slechts worden gegist, maar te vrezen valt dat Nederland met dit stilzwijgen de eigen belangen op termijn zal schaden, menen A. van Staden en J.Q.Th. Rood.

Het pleidooi van de Duitse bondskanselier Gerhard Schröder voor de vorming van een volwaardige Europese regering onder democratische controle, is een nieuwe illustratie van de groeiende statuur van Duitsland binnen de Europese politieke verhoudingen. De door Joschka Fischer gegeven aftrap in het finaliteitsdebat, heeft immers uit wederom Duitse hoek een vervolg gekregen. Daarmee heeft Schröder niet alleen het Duitse leiderschap in het debat over de toekomst van de Unie bevestigd, maar tevens politiek zelfvertrouwen ten toon gespreid door de nek uit te steken bij een onderwerp dat ook binnen Duitsland, gezien de positie van de Länder, gevoelig ligt.

De voorstellen van Schröder zijn bovendien opmerkelijk waar hij in mei vorig jaar de schijn wekte niet veel te zien in de federale vergezichten voor de Unie die zijn minister van Buitenlandse Zaken had geschetst. Nu durft Schröder zelfs een stap verder te gaan. Waar Fischer op het punt van de Europese regering nog ambivalent was, kiest de bondskanselier unverfroren voor de Commissie als het uitvoerende gezagsorgaan in de Unie van de toekomst. In de Europese Raad (van staatshoofden en regeringsleiders) ziet hij in dit opzicht – terecht – geen bruikbaar alternatief.

Schröders voorstellen verdienen alleen al waardering omdat zij geënt zijn op de enig relevante vragen als het gaat om de toekomst van de Unie. Voor welke beleidsterreinen dient de Unie de eerste verantwoordelijkheid te dragen? Met welke bevoegdheden dient zij vervolgens te zijn toegerust om een slagvaardig beleid mogelijk te maken? En hoe kan een voldoende democratische legitimiteit van Europese besluitvorming verzekerd worden? De beantwoording van deze vragen heeft aan urgentie gewonnen nu de Unie zich opmaakt voor de uitbreiding met de landen van Midden- en Oost-Europa en dientengevolge een mutatie met onvoorspelbare gevolgen zal ondergaan.

De eerste reacties op Schröders plannen zijn voorspelbaar, met de Britten voorop in hun stereotiepe afwijzing van een `Europese superstaat'. Een gemakzuchtig argument waarmee geappelleerd wordt aan gevoelens van angst en onbehagen, en dat geheel en al miskent dat de uiteindelijke macht van een te vormen Europese regering afhankelijk is van de taken en middelen die door de lidstaten aan haar worden toevertrouwd. De Fransen op hun beurt hullen zich in hun bekende gecalculeerde dubbelzinnigheid. Niet alleen de ongemakkelijke cohabitatie tussen twee presidentskandidaten is hieraan debet. Ook, en niet in de laatste plaats, staat Schröders pleidooi op gespannen voet met de Franse voorkeur voor onderonsjes binnen intergouvernementele gremia. Niet voor niets koerst Parijs op een nog zwaardere rol voor de Europese Raad.

En Nederland? Tot dusver lijkt de Nederlandse regering een beleid van stilzwijgen te prefereren. Onze bewindslieden kijken blijkbaar liever de kat uit de boom dan zich actief en creatief te bemoeien met het debat over de toekomst van de Europese Unie. Hoe valt dit te verklaren? Overheerst hier de zienswijze van minister van Aartsen dat het dichten van de kloof tussen de burger en Europa meer gediend is met de aanpak van praktische zaken dan met vergezichten over de Europese institutionele architectuur? Dan maakt men zich toch schuldig aan een schijntegenstelling. Immers, de aanpak van die praktische problemen – voedselveiligheid, criminaliteit, enz. – zal toch op zijn minst gediend zijn met de vestiging van effectieve Europese instellingen. Of wreken zich hier tegenstellingen binnen de paarse coalitie, met een VVD die zich nog immer niet heeft durven ontdoen van de eurosceptische schaduw van Frits Bolkestein?

Een andere verklaring zou kunnen zijn dat met het thema `Europa' binnen het heersende, niet van provincialisme gespeende politieke klimaat te onzent geen electoraal garen valt te spinnen. En tot slot kan niet worden uitgesloten dat de Nederlandse supranationale voorkeur uit het verleden haar ware retorische aard verraadt nu de Europese integratie niet langer een onschuldige politieke `side-show' blijkt te zijn, maar doordringt tot het hart van de nationale soevereiniteit en in toenemende mate tot binnenlandse maatschappelijke aanpassing dwingt.

Wat hier ook van moge zijn, te vrezen valt dat Nederland met dit stilzwijgen de eigen belangen op termijn zal schaden. Schröders interventie in zijn eigen partij onderstreept immers dat wie had gehoopt dat het debat over de finaliteit van de Unie wel zou overwaaien, verkeerd gegokt heeft. Het debat gaat door, met of zonder Nederland. En dan geldt voor een land dat buitenlands-politieke ambities en belangen heeft, dat dat debat mét Nederland de voorkeur verdient, al was het maar om een ongunstige uitkomst ervan te (helpen) voorkomen.

Dan kan de Nederlandse inzet geen andere zijn dan het ondersteunen van die krachten die ijveren voor behoud en versterking van de communautaire instellingen. De reden daarvoor moet niet primair in het verleden gezocht worden: Nederland als van oudsher een pleitbezorger van het supranationale Europa. De reden is dat uiteindelijk ook nu de Nederlandse belangen het beste tot hun recht zullen komen in een omgeving waarin de uitoefening van politieke macht aan gemeenschappelijke regels gebonden is. Dat geldt ook voor een land dat zich er graag op beroept een middelgrote mogendheid te zijn. Ook zo'n land zal uiteindelijk op verlies komen te staan binnen een Unie waarin de intergouvernementele methode domineert en de grote landen, al dan niet via directoraatvorming, onderling de toon zetten.

In de tweede helft van 1991 voelde de toenmalige Nederlandse regering zich door Duitsland in de steek gelaten toen dit land geen steun gaf aan de Nederlandse voorstellen voor het Verdrag van Maastricht. Tien jaar later echter is er alle reden voor Nederland om zich onomwonden voor de Duitse opvattingen uit te spreken. Het moge waar zijn dat een federaal Europa niet voor de deur staat, maar door op voorhand gedurfde plannen à la Schröder af te vallen verkleint men de kansen op de ontwikkeling van een Europese Unie die zowel slagvaardig als democratisch is.

Prof.dr. A. van Staden en prof.dr. J.Q.Th. Rood zijn directeur respectievelijk hoofd Onderzoek van het Instituut Clingendael.