Berlijn en Brussel

KANSELIER SCHRÖDER van Duitsland heeft in Berlijn een handgranaat naar buiten gerold. De pin zit er nog in. Maar zijn voorstel om nu toch echt te gaan werken aan één Europese regering heeft explosieve elementen in zich die niet zozeer in zijn eigen land als wel in de grote buurlanden tot ontploffing kunnen komen.

Het plan van Schröder lijkt op een kopie van de Bondsrepubliek voor de Europese Unie, waarin de macht van de centrale regering en de verschillende deelstaten in subtiel evenwicht verkeren. Kernpunten in zijn visie zijn: een federale regering voor de grote lijnen, een controlerend parlement dat een serieus mandaat van de burgers kan verwerven, de huidige ministerraad als een soort senaat die de nationale belangen in het oog moet houden en meer macht voor de lidstaten om op deelterreinen eigen beleid te voeren. Kortom, een structuur die veel gemeen heeft met het Duitse staatsbestel dat gegrondvest is op een sterke federale staat en eveneens krachtige deelstaten (Länder).

Dat model is daar succesvol gebleken. In de Bondsrepubliek heeft Schröder dan ook instemming ontmoet. Zelfs de oppositie ziet er wel enig heil in.

MAAR BUITEN DUITSLAND kan de kanselier rekenen op lauwe reacties of openlijk verzet. Alleen al het feit dat Schröder zijn voorstellen zonder consultaties met de partners naar buiten heeft gebracht, voedt de reflex dat de Berliner Republik uit is op meer macht als grootste staat binnen de EU. Zijn voorstellen staan bovendien haaks op de heersende opvattingen in met name Frankrijk en Groot-Brittannië. Het federale idee om de Europese Commissie om te bouwen tot een echte regering strookt niet met het Franse adagium dat het gemeenschappelijke beleid allereerst een taak is van de nationale staten samen. Schröders suggestie dat bijvoorbeeld het landbouwbeleid aan de afzonderlijke lidstaten kan worden teruggegeven, is voor Parijs evenmin aantrekkelijk. Zijn uitgangspunt dat op hoofdlijnen (zoals veiligheid, immigratie en begroting) één beleid moet worden ontwikkeld, zal in Britse ogen geen genade kunnen vinden. Ook een netto-ontvanger als Spanje zal het verlies van zijn budgettaire veto met lede ogen aanzien.

Door de combinatie van federale én nationale soevereiniteit voor de Europese Unie en haar lidstaten heeft Schröder geprobeerd het verzet tegen zijn voorstel op voorhand enigszins te versplinteren. Maar er is geen enkele garantie dat de tegenstanders elkaar niet toch nog zullen vinden. Vorig jaar bleek dat nog mogelijk op de topconferentie in Nice. Daar wisten de kleinere partners met hun diverse eisen tot het laatst het compromis, dat toch al weinig om het lijf had, bijna te torpederen.

HET IDEE van Schröder is niettemin een duidelijke aanwijzing dat de Bondsrepubliek de onomkeerbare uitbreiding en eenwording van Europa vaart wil geven en zich niet wenst te verzoenen met het compromis dat op de top in Nice is bereikt. De kanselier heeft daarmee een agenda vastgesteld. De andere lidstaten weten zich nu gedwongen over zijn ideeën na te denken. De risico's dat het spaak loopt zijn groot. Maar zonder het voorstel zou het gevaar ook groot zijn geweest dat de nieuwe Unie in het moeras zou wegzakken van eindeloos en halfslachtig overleg zonder een duidelijk en herkenbaar doel.