Solidariteit

Op 1 mei 1886 brak in Chicago een algemene staking uit omdat op die dag, ondanks de eis van de vakbonden, geen achturige werkdag werd ingevoerd. Na een paar dagen liep de staking uit op confrontaties met de politie. Er vielen doden. Drie jaar later werd 1 mei door het congres van de Tweede Internationale van socialisten in Parijs, uitgeroepen tot Dag van de Arbeid. Het was een eerbetoon aan het revolutionaire elan en de solidariteit van de arbeiders tijdens de staking van 1886.

De rellen in Chicago zijn vergeten. In Nederland is 1 mei, in tegenstelling tot landen om ons heen geen nationale feestdag. Het PvdA-congres wilde dat vorig jaar veranderen. 1 mei moest voortaan dienen om stil te staan bij de positie van de werknemer. Uit de reacties op de rubriek De Stemming, vorig jaar in deze krant, bleek dat slechts een kleine meerderheid van de lezers het daarmee eens was. Eenzelfde soort peiling dit jaar door de `carrièresite Monsterboard.nl' laat zien dat het grootste deel van de bezoekers geen waarde hecht aan 1 mei. Veertig procent kent de betekenis van de dag niet. De strijd van arbeiders spreekt niet meer tot de verbeelding.

Dat blijkt wel. Acties en stakingen zoals die van het NS-personeel en mogelijk van ziekenhuispersoneel wekken slechts gemor over het ondervonden ongemak op. Ook het lot van mensen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en uit de WAO dreigen te worden gegooid, laat hen die het niet aangaat koud. Dat is niet solidair. Solidariteit is eensgezindheid, trouw aan de belangen van de eigen groep, je verplaatsen in en meeleven met wat anderen bezielt. Solidair zijn is achter verlangens, ontplooiing en bevrijding van de ander staan. Is solidariteit evenzeer uit de tijd als de viering van de Dag van de Arbeid?

Niet overal. `Was solidariteit lange tijd de banier van socialisten en communisten, vandaag nemen politieke partijen van allerlei signatuur, kerken, humanitaire organisaties, zorginstellingen en sociale bewegingen de solidariteit op in hun statuten', stellen de filosofen Theo de Wit en Henk Manschot, in de bundel `Solidariteit, filosofische kritiek, ethiek en politiek' uit 1999. Dat is waar maar niet nieuw. Al in de jaren zeventig constateerde de links en rechts omstreden Duitse psychoanalyticus Horst E. Richter, schrijver van Lernziel Solidarität, dat de term solidariteit steeds minder in strikt politieke zin werd gebruikt.

Ook in Nederland was dat zo, concludeerde de theoloog Karl Derksen in 1977. Derksen, dominicaner priester, vredesactivist en omstreden vanwege zijn dialoog met het reëel bestaande socialisme in de DDR, zag dat solidariteit als begrip door zeer verschillende organisaties te pas en te onpas werd gebruikt. Met Richter vroeg hij zich af of die inflatie van de term tot een modewoord, gelijke tred hield met de behoefte aan een `logisch tegen-princiep van rivaliteit en individueel isolement'.

Afgezien van de verouderde terminologie waarin zij is gesteld, blijkt die vraag naar de verhouding tussen solidariteit en individualisme ook vandaag actueel. Hedendaagse beschouwingen verkennen haar. Een voorbeeld is het artikel `Nederland wat ga je doen?' van de econoom P.K. Keizer uit 1997 waarin wordt gesteld dat het in de Nederlandse cultuur steeds moeilijker wordt om individuele vrijheid en solidariteit te combineren zonder dat de maatschappelijke orde door rivaliteit wordt aangetast.

En dan is er nog de voortdurende discussie rond het in 1989 gepubliceerde Contingency, irony and solidarity van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty. Rorty stelt dat solidariteit alleen mogelijk is vanuit solidariteit met de eigen Noord-Atlantische liberaal democratische cultuur. Met de verbeelding als brug is het vanuit die positie mogelijk om vreemden te zien als mensen die evenals jij in de eenzaamheid van hun cultuur worstelen. Andere denkers nemen deze stelling onder vuur en wijzen op de gevaren van etnocentrisme en de totalitaire erfenis van het begrip solidariteit.

Kortom, solidariteit wordt nog altijd verkend. Maar hoe ziet de praktijk van solidariteit er in Nederland uit? `Intergenerationeel' is het antwoord van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat te vinden is in een vorig jaar uitgebrachte scenarioanalyse en een net verschenen conferentieverslag. Beide stukken dragen de titel Intergenerationele solidariteit en individualiteit in de tweede pensioenpijler. Nederland is volgens de WRR met zijn collectieve pensioenfondsen het toonbeeld van solidariteit tussen generaties.

Concurrent van dit solidaire systeem is een stelsel waarin individuen hun pensioenpremie zelf beleggen. Dat is een soort gok, droog brood of een wereldreis op de oude dag, maar er hoeft niet betaald te worden voor anderen. De solidaire variant biedt meer zekerheid over het pensioenresultaat. Maar kunnen jongeren gezien de voortschrijdende wens tot individualisering op hun oude dag nog rekenen op de solidariteit van de werknemers die dan jong zijn? Niemand die het weet.

Geen nood. Verwijzend naar filosoof John Rawls stelt de WRR dat rechtvaardige afspraken (volgens de raad een mix van beide stelsels) het beste kunnen worden gemaakt onder `de sluier van onwetendheid'. Als je niet weet of je tot de pechvogels of de gelukkigen zult horen, ben je eerder geneigd een solidair systeem te kiezen. De enige andere manier om solidariteit te bevorderen is een crisis, maar het wachten daarop is verlies van kostbare tijd.

Dat is waar. Die waarheid leert dat de Nederlandse solidariteit niets te maken heeft met die van de staking van mei 1886 in de Verenigde Staten, het land dat Marx om het revolutionair elan idealiseerde. Nederlandse solidariteit vertoont meer overeenkomsten met het hedendaagse Amerikaanse denken. Solidariteit `om niet' en vanuit een bewuste keuze, is ver te zoeken.

1 mei vieren zou dan ook niet meer dan een façade zijn. Hetzelfde geldt voor het zingen van De Internationale. Onlangs was het lied te horen ter afsluiting van het PvdA-congres terwijl Kok een televisieverslaggever te woord stond. Op de achtergrond klonk tevreden en vrolijk: `Ontwaakt verworpenen der aarde'.

Amanda Kluveld is historica.