Feestgangers

`De binnenstad is van iedereen' zeiden ze bij het Amsterdamse referendum en op Koninginnedag wordt je dat wel ingepeperd. Vorige week beschreef Frits Abrahams hoe hij afscheid had genomen van de vluchtelingen die een goed heenkomen buiten Amsterdam zochten en zich voorbereidde op de strijd tegen de invasie. Hangen er nu een paar hoofden van gesnapte en ingerekende provinciale wildplassers boven zijn haard? Het zou rechtvaardig zijn.

Mijn eigen strijd was defensief. Een fort in huis. Deuren, ramen en luikjes dicht en gordijnen er voor, zodat er nog net wat licht naar binnen komt en zo weinig mogelijk lawaai.

Nu merk je eens hoe de anti-rokers zich voelen als jij in de buurt bent. Die moeten iedere dag een fort om zich heen bouwen.

Ja, de aanstellers. Maar wij rokers marcheren niet met zijn zevenhonderduizend tegelijk een vreemde stad binnen om daar met zijn allen demonstratief te gaan paffen en de peuken in de brievenbussen te gooien.

Behalve het gebrul van de menigte zijn er twee muziekpodia die door elkaar heen stampen. In mijn fort is het gestamp een gedrens geworden. Waar komt het geluid eigenlijk vandaan? Van alle kanten door de kieren, maar ik merk dat er een speciaal toegangskanaal is dat ik niet dicht kan stoppen. Het meeste geluid blijkt door de schoorsteen te komen en de metalen platen boven mijn kachel resoneren mee met het muziekgedrens. De vijand is binnengedrongen. Mijn eigen huisraad kiest de kant van de bezetter en keert zich tegen me.

Dan toch maar naar buiten. Ik moet denken aan die films waarin buitenaardse peulen zich meester maken van de mensen en hun gedaante aannemen. Als de laatste overgebleven mensen zich omringd weten door peulen in mensengedaante wordt hun de strijd te zwaar en voelen zij het verlangen om zich ook bij de peulen te voegen.

Als ik mijn voordeur opendoe word ik toegeschreeuwd door een groepje feestgangers. Eerst denk ik dat het komt doordat ik er niet als een oranje landloper uitzie, maar dat is waarschijnlijk de reden niet, want tijdens mijn rondje door de stad doet niemand agressief tegen me. Aan het eind weer wel, als ik mijn huis binnenga. Ik woon hier en dat bevalt hun kennelijk niet. Wie hier woont, hoort er vandaag niet bij. Mijn vrouw vertelt later dat ze een bierblikje naar haar hoofd kreeg toen ze haar fiets in een keldertje stalde. Ze zijn in de meerderheid, dus je moet dankbaar zijn dat het daarbij bleef.

Wat is zo'n oranje menigte toch verschrikkelijk lelijk. Iedere andere kleur zou beter zijn. Ik heb er hier wel eens op gewezen dat de Amerikaanse leerpsycholoog Darrell Townsend ontdekte dat leerlingen met een voorliefde voor oranje ook hielden van lawaai. Die oranje leerlingen zaten nooit stil, ze waren alleen geïnteresseerd in directe beloningen en onmiddellijke praktische toepassingen en ze wilden altijd geamuseerd worden.

Als kinderen met ernstige gedragsstoornissen uit een oranje omgeving naar een geel-blauwe werden verplaatst, knapten ze aardig op. Voor de kinderen is er dus nog hoop, maar dan moet de republiek wel snel komen.

Is het alleen in Nederland dat wat Townsend de `oranje persoonlijkheid' noemde, zo pijnlijk in het oog springt? Zijn de Nederlanders door de eeuwenlange band met oranje gepredestineerd om te brullen? Beslist niet. We zijn wat vatbaarder dan de rest van de wereld, laten we het daar op houden.

In de gracht voor mijn huis bouwt ieder jaar hetzelfde paar meerkoeten omstreeks deze tijd een nest. Het vrouwtje zit op de eieren, het mannetje verzamelt takjes, stukjes plastic en lege melkpakken, maar alle moeite is ieder jaar vergeefs, want op Koninginnedag worden ze verjaagd door de voorbijrazende pleziervaartuigen en het nest gaat kapot.

Dit jaar waren ze er weer, maar ze hebben iets geleerd, want vorige week waren ze opeens verdwenen, ongeveer gelijk met de menselijke vluchtelingen die door Frits Abrahams werden uitgewuifd. De Amsterdamse meerkoeten weten met Koninginnedag om te gaan, laat ik er een voorbeeld aan nemen.

Het is ieder jaar weer een wonder hoe gering de schade is. De huizen in de binnenstad worden niet in de as gelegd en niemand verdrinkt doordat hij feestelijk in de gracht wordt geduwd. Vanochtend hoor ik alweer de wagentjes van de reinigingsdienst die de straat komen schoonmaken. Het is nog maar provisorisch, alleen de grootste bergen afval worden opgeruimd, maar over een paar dagen is de stad weer schoon.

En in de Volkskrant staan gezellige artikelen over de uitloop van de feestelijke dag, toen de feestgangers met de trein naar huis wilden, maar zelf het treinverkeer onmogelijk maakten door over de sporen te lopen.

Een mooie beginzin: ,,`Het is niet onze schuld' roept een wanhopige agent tegen de oprukkende meute feestgangers.'' Mijn slechte ziel zou willen dat de agent tegenover een oprukkende meute feestgangers wat minder wanhopig en meer strijdbaar zou zijn, maar aan de andere kant moet een meute die de stad verlaten wil niets in de weg gelegd worden.

En verderop in het artikel: ,,Een bejaard echtpaar struikelt van spoor 11 naar spoor 13b vanwaar de trein naar Heerhugowaard schijnt te vertrekken. Complete kinderwagens worden over het spoor getild.''

Zouden de kinderen er nog ingezeten hebben of zouden ze leuk tussen de rails aan het spelen zijn terwijl hun ouders sjouwend met de kinderwagen een trein zoeken? Hoe dan ook, je moet toch behoorlijk door het oranjezonnetje beschenen zijn om als ouders zo levensgevaarlijk op te treden.

De oprukkende meute feestgangers krijgt een menselijk gezicht door het aandoenlijk gestuntel tussen de rails. Een ongeluk wens je ze niet toe.

De mildheid wordt weer wat minder als je ziet dat verderop in de krant een discussie wordt gevoerd over de vraag of er niet wat nieuwe nationale feestdagen aan het lijstje moeten worden toegevoegd.

Kop op feestgangers, straks komt het oranjehuwelijk met de nationale hymne op het Museumplein, en dat wordt nog veel leuker.