De sfeer telt zéér

Zelden worden de sfeer binnen een kabinet en de persoonlijke betrekkingen tussen de ministers meegewogen als belangrijke factoren voor zijn kwaliteit en zijn overlevingskansen. Veel vaker worden hun concurrentieverhoudingen in de jaarlijkse budgetslagen en hun verschillende partijboeken belicht, of zelfs publicitair uitvergroot, om duidelijk te maken dat kabinet en coalitie weer eens aan een zijden draad hangen. Naar hun aard hebben de media trouwens veelal meer belangstelling voor zo'n zijden-draadsituatie dan voor het beeld van een kabinet dat er wegens interne soliditeit uiteindelijk wel uit zal komen. Toch zijn de onderlinge sfeer, de al dan niet verzoenende houding die de premier kiest, de rugdekking die hij zijn minister van Financiën geeft en de collectieve politieke wil om te slagen vaak belangrijker dan de grimmige cijfers, de harde wederzijdse eisen of het sombere weerbericht van de dag.

De zondag overleden oud-premier Biesheuvel had er een lied van kunnen zingen. In zijn vijf-partijenkabinet (1971-'73) telden partijboeken en persoonlijke humeuren zéér, en Biesheuvel was soms eerder een politicus die daarmee zijn voordeel wilde doen dan iemand die als premier wilde verzoenen om zijn club bij elkaar te houden. In zijn kabinet bestonden als het ware drie ringen. In de eerste ring stonden de ministers van de confessionele partijen, voorop die van Biesheuvels eigen ARP. In een tweede ring, nog tamelijk dichtbij, volgden de bewindslieden van de VVD en pas op iets grotere afstand die van DS'70. In de twee buitenste ringen wisten ministers zodoende, of kregen te merken, dat de premier soms op hun interne nederlaag en niet op een compromis aanstuurde. Dat dan in hectische en langdurige vergaderingen, zoals hij die als minister van Landbouw (1963-'67) zelf vaak, en met succes, met zijn Europese collega's in Brussel had beleefd.

De toenmalige minister van Defensie, De Koster (VVD), merkte bijvoorbeeld pas na een jaar dat Biesheuvel ondershands via eigen kanalen uit de krijgsmacht notities en plannen kreeg, zoals de naar de toenmalige legerkorpscommandant genoemde nota-Meijnderts, die verdergaande bezuinigingsopties boden dan De Koster in het kabinet bracht. En de DS'70-ministers W. Drees jr. en De Brauw werden even later, op een juli-avond in 1972, zelfs enige tijd uit wandelen gestuurd voor zij in het Catshuis een voor hen onaanvaardbaar budgetvoorstel kregen voorgelegd onder het motto: over u en zonder u, nu is het slikken of stikken. Dat werd stikken, uiteindelijk ook voor Biesheuvel zelf trouwens.

Biesheuvel, een politicus pur sang met een grote dadendrang, had in 1967 een premierschap laten lopen omdat hij de KVP-ministerskandidaten niet goed genoeg vond. In plaats van de politieke en fysieke ARP-kolos werd de destijds als politiek lichtgewicht geldende oud-marine-officier Piet de Jong premier (tot 1971). Deze KVP'er zocht zijn kracht juist in teambuilding, goede sfeer en compromissen en had een broertje dood aan politieke hectiek of aan de lange vergaderingen waarop Biesheuvel en – een paar jaar later – Den Uyl juist zó verzot waren dat zij strijdmiddelwaarde kregen. Mooi is in dat verband een verhaal van Den Uyls minister van Verkeer en Waterstaat, Westerterp (KVP), die zulke marathonsessies wel eens ongemerkt verliet om elders eventjes aangenaam te pauzeren, in Breda bijvoorbeeld. En dan een paar uur later, terug in Den Haag, weer even onopgemerkt aanschoof in het Catshuis.

De Jong daarentegen hing bijvoorbeeld zó aan zijn vrije vrijdagavond dat de wekelijkse ministerraad praktisch altijd tegen vijven werd beëindigd. En hij hield zó weinig van telefoontjes van journalisten bij zich thuis – ,,Ik zit aan tafel en heb u echt niets te vertellen'' – dat hij het instituut van de persconferentie na de ministerraad instelde (waarin hij trouwens ook zelden veel vertelde). Jaren later, toen Biesheuvel allang voortijdig gesneefd was als premier, moet De Jong hem eens plagerig gezegd hebben: ,,Barend, in mijn kabinet hadden we maar weinig zwaargewichten en we vergaderden ook niet zo lang als jij, maar we hielden het wel vier jaar vol''.

Het voorafgaande lijkt gericht op een lofzang voor premier Kok en minister Zalm van Financiën, en dat is ook zo. Want het duo Kok-Zalm heeft vorige vrijdag, precies op tijd, een zó geslaagde budgettaire operatie volbracht dat Paars III nog maar een kwestie van tijd lijkt. Dat er vooraf, de afgelopen weken vooral, de nodige ketelmuziek te horen was, is niet bijzonder. Want alle betrokkenen en belanghebbenden moeten hun medestanders, hun ambtenaren en hun organisaties (in het onderwijs en de gezondheidszorg bijvoorbeeld) natuurlijk niet de indruk geven dat het allemaal maar een fluitje van een cent was.

Dat was het uiteindelijke miljardencompromis bovendien ook niet. Zalm (VVD), intussen niet alleen een van strengste maar zeker ook een van creatiefste naoorlogse ministers op Financiën, heeft immers tot in het jaar 2004 moeten reiken om genoeg geld bij elkaar te schrapen. Wat wil zeggen dat hij om de Zalmnorm (de strikte scheiding van inkomsten en uitgaven) in stand te houden, een greep heeft gedaan naar toekomstig wisselgeld. Anders gezegd: hij heeft zich bediend van `inverdieneffecten', een truc waarmee enkele decennia geleden slechte ervaringen zijn opgedaan. Je zou zelfs kunnen zeggen: Kok en Zalm hebben in de opzet van hun compromis zóveel vertrouwen in 's lands economische toekomst gelegd dat zij daarmee enige vrijheid hebben verspeeld om er in 2002 mee op te houden.

De goede sfeer in het kabinet en de wil om paars door te gaan, mede gelet op de uitstekende stand van de PvdA (Kok en Máxima!) en de mooie stand van de VVD in opiniepeilingen, telden mee. Van belang was ook dat alle coalitiepartijen, met de ministers Borst (Volksgezondheid, D66), Hermans (Onderwijs, VVD), De Vries (Binnenlandse Zaken/Veiligheid, PvdA), eigen speerpunten met een sterk publiek draagvlak in het debat hadden. Dat was (en is) mooi meegenomen. Kok wint sinds 1986 maar één keer de verkiezingen en is nu toch al haast vader des vaderlands. Biesheuvel zou het niet voor mogelijk hebben gehouden.