De beschaving moet gered worden

De overheid wordt verdacht gemaakt ten gunste van de markt die alle maatschappelijke kwalen zal oplossen. Groter misvatting is niet denkbaar want met de publieke sector wordt ook de beschaving in de uitverkoop gedaan, meent de stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving'.

In de zomer van 1994 schreef Wim Kok in de regeringsverklaring van het eerste paarse kabinet: `De leidende gedachte in dit program is het herijken van de verhouding tussen gemeenschappelijke regelingen en eigen verantwoordelijkheid.' En even verderop: `Zo kan een nieuw evenwicht groeien tussen de behoefte aan bescherming en de noodzaak van dynamiek.' Tijdens het PvdA-partijcongres in maart constateert zijn beoogde opvolger Ad Melkert: `Sluipend heeft zich in de pijlers van de samenleving betonrot genesteld.'

Wat Melkert naliet, was een verband te leggen tussen het door hem geconstateerde verval en het programma van Paars. Uiteenlopende problemen als het lerarentekort, de wachtlijsten in de gezondheidszorg, de opeenvolgende crises in de landbouw en de toename van geweld onder jongeren, om maar eens wat betonrot te noemen, hebben namelijk één ding gemeen: zij zijn zo niet veroorzaakt, dan toch op z'n minst verhevigd door de stortvloed aan neoliberale maatregelen van de twee kabinetten-Kok. De gevolgen voor de samenleving liegen er niet om.

Want nu wordt de rekening gepresenteerd voor het verdachtmaken van de overheid en het ophemelen van de markt als panacee voor alle maatschappelijke kwalen. De publieke sector is in de uitverkoop gedaan vanuit de overtuiging dat `de onzichtbare hand van de vrije markt' de samenleving beter zou kunnen vormgeven dan een democratisch gecontroleerde overheid. Maar het wordt steeds duidelijker dat door dat beleid niet alleen `typisch Nederlandse' verworvenheden – een redelijk eerlijke inkomensverdeling, het sociale zekerheidsstelsel, en een voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg – verloren dreigen te gaan. Het is niet minder dan de beschaving zèlf die samen met de publieke sector in de uitverkoop wordt gedaan.

Het heeft er alle schijn van dat wij, in de roes van de economische voorspoed, gestopt zijn met nadenken over de vraag wat de pijlers zijn waarop onze beschaving rust.

Want zie:

Het aantal miljonairs nam de afgelopen tien jaar toe van 51.000 in 1991 tot ruim 200.000 nu. Tegelijkertijd steeg het aantal kinderen dat in armoede opgroeit met 15 procent tot 350.000.

Het bruto binnenlands product (BBP) groeide de laatste 25 jaar met 42 procent. Daarentegen daalde het percentage van het BBP dat aan de gezondheidszorg wordt besteed van 9,4 procent in 1994 tot 8,6 procent in 1998. Tegelijkertijd nam de vraag om zorg toe, onder meer door de vergrijzing en de vooruitgang van de technologische mogelijkheden. Gevolg: ruim 80.000 ouderen, 16.000 lichamelijk gehandicapten en 24.000 mensen met geestelijke problemen staan op dit moment op een wachtlijst voor zorg.

In 1987 besteedde Nederland nog ongeveer 7 procent van het BBP aan onderwijs. Dat was 1 procent meer dan het gemiddelde van de OESO-landen. In 1997 was dat percentage teruggelopen tot 5,1 procent, terwijl het OESO-gemiddelde juist steeg tot 6,5 procent. Uit recente cijfers blijkt dat het verschil nog altijd groter wordt. In vergelijking met de markt zijn de salarissen in het onderwijs sinds 1992 8,2 procent achterop geraakt. Vorig jaar kwam het basisonderwijs 9.755 leerkrachten tekort. Voor 2002 wordt het tekort geschat op 11.500.

Terwijl de koopkrachtige elite in de centra van de grote steden bedragen van meer dan een miljoen gulden kan betalen voor een driekamerwoning, daalde aan de andere kant van de woonmarkt het aantal goedkope huurwoningen (van minder dan 500 gulden per maand) van ruim 1,6 miljoen in 1992 tot 431.000 in 2000. Het aantal daklozen wordt op dit moment geschat op 25.000 à 30.000. Het aantal jongeren onder hen steeg van 3 procent in 1994 naar 16 procent vijf jaar later.

De televisie, met haar invloed op ons allen en met name de jeugd, wordt steeds meer gedomineerd door een klein aantal bedrijven dat zich slechts laat leiden door de belangen van (buitenlandse) aandeelhouders en zich op geen enkele manier verantwoordelijk voelt voor de beschaving.

Deze lijst kan moeiteloos worden aangevuld met cijfers over de veiligheid, het milieu, ruimtelijke ordening, cultuur, openbaar vervoer en justitie. En steeds hetzelfde beeld: terwijl de rijkdom in Nederland toeneemt, dalen de bestedingen voor de gemeenschappelijke voorzieningen, in ieder geval als percentage van het BBP.

Is dat erg?

Ja, dat is erg. Want die gemeenschappelijke voorzieningen zijn juist in het leven geroepen om een einde te maken aan de mensonterende ongelijkheid uit vroeger tijden. Als gevolg van het beleid van privatisering, deregulering en commercialisering keert die ongelijkheid weer terug. En dat wekt weerzin, omdat het indruist tegen ons gevoel van wat beschaafd is en wat niet.

Beschaving is als een tapijt, door de eeuwen heen met gezamenlijke inspanning geweven. Dankzij die inspanningen hebben we in Nederland en in dit deel van de wereld een manier gevonden om op een vreedzame en over het algemeen fatsoenlijke manier met elkaar samen te leven. Zo is het besef ontstaan dat onderwijs de mens in staat stelt zichzelf te verheffen. Dat zorgzaamheid en generositeit het leven verrijken en een samenleving leefbaar maken. We zijn gaan begrijpen dat kunst en cultuur bescherming verdienen omdat zij de samenleving voorzien van vernieuwende en vitale impulsen. En dat de natuur er niet alleen maar is om door de mens geëxploiteerd te worden, maar dat het lot van mens en natuur onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Omdat al deze zaken uitstijgen boven het belang van het individu, zijn ze met brede instemming en met zichtbaar voordeel voor iedereen tot een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gemaakt: de publieke zaak.

De vraag is: zijn wij beter af als die publieke zaak wordt overgelaten aan de markt, of zijn er goede redenen waarom we ooit hebben besloten om de overheid daarvoor verantwoordelijk te maken? Bovenstaande cijfers geven aan dat een keuze voor de markt in ieder geval niet zonder gevolgen blijft. De belangrijkste kracht achter het mechanisme van de markt is immers het directe eigenbelang van het individu. Wat goed is voor de één, zal uiteindelijk ook goed zijn voor allen, is een gangbare opinie. Vertaald naar de economische verhoudingen van de 21ste eeuw betekent dit dat wij moeten geloven dat wat goed is voor het bedrijfsleven, goed is voor ons allemaal. Het tegendeel is het geval.

Voor particuliere zorgverzekeraars zijn jonge gezonde mensen interessant, en ouderen, zieken of gehandicapten een last. Particuliere klinieken en andere medische ondernemingen zijn bovendien vooral geïnteresseerd in mensen met geld. Dat ieder mens recht heeft op dezelfde medische zorg is een opvatting die nog wel met de mond wordt beleden, maar waar in de praktijk steeds minder van terechtkomt.

Voor de geprivatiseerde Nederlandse Spoorwegen is het aantrekkelijk om zo min mogelijk geld te investeren in personeel en materieel om op die manier tegen zo laag mogelijke kosten zo veel mogelijk mensen van A naar B te brengen. Dat daardoor het aantal technische mankementen en storingen schrikbarend oploopt, is van ondergeschikt belang.

Uit het oogpunt van de ondernemingen die behoren tot het agro-industriële complex zijn concentratie en schaalvergroting in de landbouw een goede zaak. Dat daardoor grote delen van Nederland en de rest van Europa veranderen in eindeloze vlaktes van monocultures, en dat bovendien tienduizenden boeren hun bedrijf moeten sluiten, is niet hun probleem. Zo min als zij zich verantwoordelijk voelen voor de weerzinwekkende gevolgen van de epidemieën die de laatste jaren de veeteeltsector teisteren.

Tussen 1975 en 1997 ontwikkelde de farmaceutische industrie 1200 nieuwe geneesmiddelen. Een indrukwekkende prestatie. Maar van al die nieuwe middelen waren slechts twaalf bedoeld voor de bestrijding van tropische ziektes, terwijl die verreweg de meeste slachtoffers maken. De reden: de Derde Wereld is geen interessante markt, omdat de mensen er simpelweg het geld niet hebben om dure westerse geneesmiddelen te kopen. Een `gezonde' bedrijfsvoering van de farmaceuten leidt dus tot een ongezonde wereld.

Het moge duidelijk zijn: Het adagium `hoe vrijer de markt, hoe beter voor ons allen' blijkt niet te kloppen. Wie dacht dat bureaucratie en klantonvriendelijkheid het exclusieve domein waren van overheidsdiensten en -bedrijven weet sinds UPC dat dit een vergissing was. Het overheidsbedrijf PTT kon garanderen dat brieven die voor zes uur 's avonds werden gepost, de volgende dag ter bestemming waren. Voor de private onderneming TNT blijkt dat een stuk moeilijker. En wie durft er sinds de energiecrisis in het geheel geliberaliseerde Californië nog te beweren dat een vrije stroommarkt een zegen voor de mensheid zal blijken te zijn?

Toen de Tweede Kamer, mede vanwege de Californische energiecrisis, besloot om het privatiseringsproces in de energiesector een heel klein beetje af te remmen, waarschuwde Nuon-topman Swelheim onmiddellijk voor de waardevermindering van zijn bedrijf. Nuon zou nu wel eens kunnen worden overgenomen door een buitenlands bedrijf, aldus Swelheim (die overigens net met trots de overname door Nuon van een Amerikaans waterbedrijf had aangekondigd). Daarmee wordt nóg een kwalijk aspect van het neoliberale marktgeloof zichtbaar: op het mondiale economische slagveld dat door de terugtredende overheden wordt gecreëerd, kunnen alleen de sterksten overleven en vindt dus in het internationale bedrijfsleven op dit moment een steeds heviger wordende concurrentie plaats met permanente schaalvergroting als gevolg.

Uit cijfers van onder anderen de Nederlandse onderzoeker prof. Hans Schenk blijkt dat slechts een kleine minderheid van alle overnames en fusies leidt tot economische meerwaarde. De meeste fusies zijn volgens Schenk in economische zin onzalige beslissingen. Maar minstens zo zorgwekkend als de economische kosten van al het overnamegeweld, zijn de gevolgen voor het democratisch gehalte van de samenleving. De handel en wandel van multinationale ondernemingen onttrekt zich meer en meer aan de democratische controle van nationale parlementen. Het is geen toeval dat het proces van Europese eenwording, dat vooral wordt gestuurd door multinationale ondernemingen, gepaard gaat met een schrikbarende uitholling van de democratie. Wie de behartiging van het algemeen belang uitbesteedt aan de markt, schaft in feite de democratie af.

De vraag is: als `meer markt' niet de oplossing is, moeten wij dan terug naar `meer overheid'? Maar bewijst niet de overheid dag in dag uit evenmin in staat te zijn om problemen op te lossen? Daarmee keren we terug tot de kern van dit betoog: het verband tussen de veronachtzaming van de publieke sector en het verval van de beschaving. Aan het falen van de overheid ligt namelijk een dieper probleem ten grondslag. De technocratische wijze waarop achtereenvolgende kabinetten de afgelopen twee decennia hebben geregeerd, als ware Nederland geen land maar een BV, is niet zonder gevolgen gebleven voor de manier waarop mensen naar zichzelf, naar de samenleving en naar de overheid kijken. Decentralisatie, budgettering, verzelfstandiging, privatisering en marktwerking: dit alles heeft ertoe geleid dat getallen de maat der dingen zijn geworden. Wat niet meetbaar is, zo luidt het nieuwe adagium, bestaat niet.

Zo kon minister Hermans van Onderwijs op het idee komen om al bij kinderen van vier jaar een test af te nemen, terwijl zijn collega van Volksgezondheid ervoor heeft gezorgd dat thuiszorg tegenwoordig wordt verricht met een stopwatch in de hand: één minuut voor het aantrekken van steunkousen, twee minuten voor het aanleggen van een verband. Alles moet gemeten, ook dat wat niet te meten valt. Zodoende is in de publieke sector, die vanouds gebaseerd is op vertrouwen, een georganiseerd wantrouwen geslopen. De calculerende overheid heeft besturen en werknemers in de publieke sector voortgebracht die nu ook van het calculeren een dagelijkse activiteit hebben gemaakt. En de burger neemt, op zijn beurt, het calculeren weer over van de overheidsdiensten.

Politici die zich beklagen over de juridisering van de samenleving en over burgers die voor het minste of geringste ongenoegen een schadeclaim indienen, moeten de hand in eigen boezem steken. Een overheid die zélf het publieke belang niet primair als uitgangspunt neemt, mag zich niet beklagen over burgers die dat dan ook niet meer doen.

Als de beschaving een kleed is dat mensen door de eeuwen heen samen hebben geweven, dan is nu de ontrafeling van dat kleed zichtbaar. Wanneer dat proces geen halt wordt toegeroepen, zullen de gevolgen op termijn zeer ernstig zijn. Het wordt tijd om de mooie verhalen over de zegenrijke werking van de ongereguleerde markt te verwijzen naar de plaats waar ze thuishoren: het rijk der fabelen. Niet alleen op politici, maar op álle burgers rust de verantwoordelijkheid om de uitverkoop van de beschaving te stoppen en een verdere afbraak van de publieke zaak te voorkomen.

Mies Bouhuijs, Wouter van Dieren, Bob Fosko, Karel Glastra van Loon, Freek de Jonge, Arjo Klamer, Jan Marijnissen, Huub Oosterhuis, Dorien Pessers, Harry de Winter en Nilgun Yerli zijn bestuurslid van de stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving'.

    • Freek de Jonge
    • Harry de Winter
    • Jan Marijnissen
    • Arjo Klamer
    • Nilgun Yerli
    • Dorien Pessers
    • Mies Bouhuijs
    • Karel Glastra van Loon
    • Bob Fosko
    • Huub Oosterhuis
    • Wouter van Dieren