Academieverlaters tonen wisselende kwaliteit

Eigenlijk zijn de visitekaartjes nog het leukste. Op Art Primeur, de tentoonstelling van jong talent in Dordrecht, steken ze uit luikjes, slingeren op richels en lonken op vensterbanken. Als je erop let wordt het een curieuze sub-expositie. Susan Nash bijvoorbeeld, laat zich vertegenwoordigen door een soort skate-Betty Boop. Miranda Poel heeft haar hoofd onder het kopieerapparaat gelegd en haar tong uitgestoken, Daan Iserief ontwierp een hemelsblauwe met een soort witte bloesem er overheen. De kaartjes vertegenwoordigen dromen en verwachtingen; je ziet de kunstenaars voor je, hopend op geïmponeerde galeriehouders, geprikkelde curatoren of zelfs een geïnteresseerde koper. Pijnlijk genoeg blijven de kaartjes je vaak beter bij dan hun kunstwerken.

Een grote schande is dat niet, want Art Primeur is een tentoonstelling van academieverlaters – maar wel de meest belovende academieverlaters van het afgelopen jaar. Ze werden geselecteerd door een jury waarin onder anderen Chris Dercon en diverse museumconservatoren zaten, en die dus een zekere kwaliteit moet waarborgen. Toch zijn er na zes jaarlijkse afleveringen, met iedere keer zo'n 25 talenten, per keer nooit meer dan twee doorgestoten. De enige oud-deelnemer die het heeft gemaakt is fotografe Hellen van Meene; verder had ik wel eens gehoord van onder anderen Antoine Berghs, Harm Goslink Kuiper, Marenka Gabeler en Risk Hazekamp. In totaal acht `bekenden' op 150 uitverkorenen, het geeft een somber beeld van de reikwijdte van Art Primeur.

Nu zal die geringe weerklank ongetwijfeld met de hardheid van de kunstwereld te maken hebben, maar het geeft ook aan dat deze deelnemers in een erg pril stadium tot belofte worden uitgeroepen. Te pril, ben je opnieuw geneigd te denken bij de selectie van 2001. Van de in totaal 39 deelnemers (waarvan 12 uit Estland, Letland, Litouwen en Polen) blijven de meesten steken in een poging tot het maken van volwassen kunst – inhoudelijk en stilistisch zijn er nauwelijks overeenkomsten te bespeuren. Er is natuurlijk de gebruikelijke pseudo-viezigheid (jurken van vlees, een gezicht onder plastic, zwaar geposeerde lijken). Er zijn wat epigonen: Saskia Dekkers werk lijkt op dat van Voebe de Gruyter, Willem Buffing presenteert zich als een Panamarenko te water, Poitr Parda doet aan ongegeneerde zelfpromotie.

Gelukkig komen er ook een paar verder. Jeroen Kusters (AKI, Enschede) weet slim te verleiden met goed gemaakte zeekweeksels in glazen potjes. Nicky Zwaan (Rietveld, Amsterdam) doet een handig rondje Liza May Post, met een film waarin twee meisjes lachend aan de muur hangen. Marien van Osch (ABK, Maastricht) komt met stripachtige, vervreemdende doeken van boten die in ieder geval nieuwsgierig maken naar meer.

De bijdrage die het beste beklijft is echter die van Luuk Bouwman (St. Joost, Breda) al komt dat vooral doordat hij een goede, consequent volgehouden grap presenteert. Samen met Wouter Bijl en JanJaap Rypkema richtte Bouwman een Jiskefet-achtige tentoonstelling in over het criminele stigma van de stad Oss – SP-bolwerk en woonplaats van SP-voorman Jan Marijnissen. In een vitrine exposeert Bouwman messen die bij Osser steekpartijen zouden zijn gebruikt, er worden diverse Osser moorden beschreven en er wordt zelfs historisch verklaard waarom Ossenaren notoire messentrekkers zijn. Juist omdat dit imago niet helemaal uit de lucht is gegrepen, zit er een aangename wrijving in deze installatie, hoe melig en puberaal verder ook – ondanks mezelf moest ik lachen om het T-shirt met de tekst `I survived Oss'. Zo simpel kan het dus zijn: een rake prikkel doet meer dan honderd visitekaartjes.

Tentoonstelling: Art Primeur 2001. In: het CBK, Voorstraat 180; Pictura, Voorstraat 190-192 en Schoolgebouw, Nieuwstraat 60, Dordrecht. Di t/m zo 12-17u. T/m 20 mei.

    • Hans den Hartog Jager