Wantrouwen

De mens is een vreemde snoeshaan. Hij houdt van mooie dingen, maar niet zonder meer; hij moet eerst iets hebben geleerd.

Neem een landschap. Het landschap is een uitvinding. Je ziet het niet eens, als je niet van tevoren al op de hoogte bent van het verschijnsel. Iemand moet er ooit over zijn begonnen. Dit is een landschap, kijk hoe bijzonder, die bergen, die rivier en alle bomen, prachtig hoor. Pas als het erkend is als onderwerp voor schilderijen, als thema in de literatuur of decoratie voor koektrommels, kunnen mensen genieten van een landschap dat zich zomaar op een zonnige vakantiedag voor ze uitstrekt.

De uitvinding van het landschap dateert van zo'n vijfhonderd jaar geleden. De gedetailleerde vergezichten en de blauwige verten, die op altaarstukken voordien slechts als omlijsting dienden voor de heilige Maagd of andere figuren, kregen steeds meer de hoofdrol. Kunstenaars als Joachim Patinir, Herri met de Bles en hun navolgers maakten op hun panelen de figuurtjes almaar kleiner, en de wereld groter. Enkele van hun werken zijn op het ogenblik te zien in 's Hertogenbosch, op een tentoonstelling in het Noordbrabants Museum getiteld Panorama op de wereld. Een passende naam, juist voor die vroegste landschaps-schilderijen. Ze zijn een reisje waard.

Ogenzuigend is het effect van deze ,,wereldlandschappen''. Grillige rotspartijen, een boom op de voorgrond, een rivier die meandert tot hij, samen met de bergen, oplost in de steeds blekere achtergrond. Als je beter kijkt zie je honderd details. Een blinde loopt met een gids. Een schip kapseist op de rivier. Een burcht ligt in het zonlicht, vogels scheren boven de boomtoppen. De menselijke figuurtjes tegen een berghelling zijn zo piepklein, dat het hele perspectief verandert als je ze in de gaten krijgt: de berg is veel verder weg dan je dacht. Het heeft iets van een droom.

Waarom zouden juist die allervroegste landschappen zo mooi zijn? Het is wonderlijk dat de westerse landschapsschilderkunst meteen begon met een hoogtepunt, in plaats van met iets eenvoudigs, nog een beetje primitiefs. Maar met zulke adembenemende vergezichten, die als complete werelden de blik van de beschouwer vasthouden, kom je natuurlijk wel op een imposante manier de kunstgeschiedenis binnen.

Het bewijst opnieuw dat de wereld wel mooi is, maar dat de kunst er pas echt iets van maakt. Daarom is de kunst bijna altijd leuker dan het leven; niet-echt is nu eenmaal interessanter dan echt. Dat geldt niet alleen voor de schilderkunst, maar bijvoorbeeld ook voor de literatuur.

Er zijn mensen die daar moeite mee hebben. Die verklaren dan ineens gewichtig dat de kunst, of de literatuur, ,,ons aller wantrouwen'' verdient, wat dat ook moge betekenen. Betekent het: pas op, het is niet de werkelijkheid? Maar daar was het toch juist om begonnen?

De oproep tot wantrouwen was van Hans Goedkoop, vorige week vrijdag in deze krant in een beschouwing over literaire kritiek. Na literatuurminnaars te hebben beticht van snobisme, ijdelheid en nog zo wat, komt hij voor de dag met de mededeling dat literatuur geen doel is, maar een middel. Ja, zelfs een voortzetting van de wetenschap met andere, zachtere middelen; iets waarvan we wijzer worden omtrent ,,de menselijke staat''.

Ziedaar weer eens het allerbanaalste, allerbraafste misverstand over kunst: dat zij ons kan leren hoe het leven is, jawel, en hoe het beter kan. Betere mensen worden we ervan. Halleluja.

Wat leren geschilderde landschappen ons over het landschap zelf? Niets: ze geven het een nogal bijzondere vorm, en kleuren vervolgens onze blik op de wereld. Wat vertelt de literatuur over het leven? Geen zier; zij leert ons maar één ding, namelijk literatuur te zien waar wij kijken.

Kunst is niet echt, dat is het mooie ervan, en een van de weinige zekerheden die ons zijn gegeven. Ons wantrouwen kunnen we daarom stukken beter bewaren voor minder overzichtelijke situaties. Ons wantrouwen, dat verdienen de machtigen, de schijnheiligen ook, en niet te vergeten: de critici.

    • Ileen Montijn