`Te weinig zicht op particuliere rechercheurs'

Het toezicht van de politie en het ministerie van Justitie op particuliere recherchebureaus is slecht. Zo'n duizend detectives kunnen ongestoord hun gang gaan.

Nederland telt ongeveer driehonderd particuliere rechercheursbureaus die in opdracht van bedrijven onderzoek doen naar fraude, interne diefstal en kredietwaardigheidsonderzoek. Samen hebben ze ongeveer duizend medewerkers, waaronder veel oud-politiemedewerkers. Hun klanten komen vooral uit het bedrijfsleven. Ze zijn niet gebonden aan gerechtelijk vooronderzoek, ze kunnen nagenoeg ongbeperkt doorvragen en ze hebben geen toestemming nodig voor het gebruik van informanten. Ze kunnen net zolang doorwerken als het budget van de opdrachtgever toelaat.

Het toezicht van de politie en het ministerie van Justitie op particuliere recherchebureaus is slecht, zo blijkt uit onderzoek van het bureau Eysink Smeets & Etman in opdracht van het ministerie van Justitie. Jaarverslagen worden nauwelijks gecontroleerd en met recherchevergunningen kan gemakkelijk worden gesjoemeld.

Voor het uitvoeren van recherchewerkzaamheden is een vergunning van het ministerie van Justitie en een speciaal legitimatiebewijs nodig. De verstrekking van de vergunningen en de controle daarop is niet optimaal, aldus de onderzoekers. De politie adviseert op basis van administratieve onderzoeksgegevens of een vergunning moet worden verstrekt, maar dat advies wordt lang niet altijd door het ministerie overgenomen.

Een eigenaar van een bedrijfsvergunning kan bij het ministerie blanco legitimatiebewijzen voor personeelsleden ophalen. Deze kan hij op het politiebureau, met de hand, laten invullen. ,,Dat is een grote farce'', verklaart een particulier rechercheur in het onderzoeksrapport. ,,Het hele systeem is enorm fraudegevoelig. Ik ben al door klanten erop gewezen dat zo'n hangeschreven legitimatiebewijs geen vertrouwenwekkend beeld geeft van de betrokken particulier rechercheur.''

In de wet wordt beschreven aan welke regels particuliere recherchebureaus zich dienen te houden, maar de controle daarop schiet tekort. De politie weet volgens de onderzoekers vaak niet wat zich bij de bureaus afspeelt. Als een bureau al wordt bezocht, blijft het toezicht vaak beperkt tot het informeren naar het hang- en sluitwerk en de alarmapparatuur, die gevoelige gegevens moeten beveiligen.

In hun jaarverslag horen de bureaus te vermelden wat hun kernactiviteiten zijn, hoeveel personeelsleden ze hebben en van wie ze opdrachten krijgen. Het merendeel stuurt trouw elk jaar een verslag naar het ministerie, maar dat doet nauwelijks iets met de ontvangen informatie. ,,Iedereen kan invullen wat hij wil'', verklaarden geïnterviewde politiemedewerkers. Het ministerie speelt geen informatie uit de jaarverslagen door naar de politie.

Dat veel rechercheurs zelf ooit voor de politie hebben gewerkt, heeft in het verleden het vermoeden gewekt dat zij regelmatig gevoelige informatie krijgen van oud-collega's. De onderzoekers van Eysink Smeets & Etman konden dat niet bevestigen. Sommige rechercheurs verklaarden dat er nog steeds een `old boys network' bestaat, andere bespeuren vooral achterdocht bij de politie. Agenten zouden geen informatie meer durven geven, uit vrees voor overtreding van de privacywetgeving.

Als particuliere rechercheurs niet-openbare informatie nodig hebben, schakelen ze liever zogenoemde informatiebureaus in. Die zouden zelfs informatie van de Criminele inlichtingendienst weten los te peuteren, tegen betaling van soms tienduizenden guldens. De onderzoekers slaagden er niet in dit laatste te verifiëren.