Keurig en verstandig

Hij is niet het soort ploegleider dat wordt verwacht in de wielersport. Hij is geen ploegleider van het ouderwetse soort, die mannen die vloeken en tieren, rochelen en boeren alsof ze net zijn bekomen van een jarenlange eenzame opsluiting in een hut onder de top van de Aubisque. Wanneer Theo de Rooy opgewonden zijn renners toespreekt, verspringt zijn stem slechts een paar octaven hoger en worden zijn ogen tegen zijn wil mooier dan ze al zijn.

Niet dat De Rooy, de ploegleider van Michael Boogerd en zijn waterdragers, van het soort mensen is dat zich bij voorkeur ophangt aan een stropdas en doet alsof het als geen ander de mensheid doorgrondt. Zeker niet, want hij is wielrenner geweest, hij heeft in de klassiekers geleden en hij heeft vele malen de Tour de France uitgereden. Hij was geen winnaar, hij was een renner die te veel op zijn verstandelijke vermogen rekende en daardoor verloor van hen die het verstand op nul zetten – of geen verstand hadden.

Als junior was hij al een keurige jongen. Na een van zijn eerste wedstrijden liep hij tot verbazing van omstanders naar de juryleden om hen te bedanken, zoals je als voetballer de scheidsrechter na afloop een hand geeft. Ook als amateur was De Rooy een `verstandige' jongen. Tijdens een interview in een Utrechts café probeerde hij duidelijk te maken dat de wielersport geen desocialiserende werking op hem mocht hebben. Sport moest niet verdwazen. Maar dan zag ik hem het weekeinde daarna in een klassieker als de Omloop van Zeeuws-Vlaanderen wanhopig soleren op weg naar de zege alsof hij voorgoed de maatschappij wilde ontvluchten. Hij won dan niet, mogelijk omdat de maatschappij hem in de vorm van het achtervolgende peloton toch meer aantrok dan het ongewisse bestaan van een winnaar.

Als beroepsrenner werd hij de man naar wie elke ploegleider verlangde. Hij wilde wel winnen, maar niet ten koste van alles. Theo de Rooy had verstand van wielrennen – en dat wilde hij weten. In een hotelkamer in Pau tijdens de Tour bemoeide hij zich zodanig met mijn interview met zijn kamergenoot, de meer getalenteerde Peter Winnen, dat ik besloot de neerslag van het urenlange gesprek op te schrijven als een discussie tussen twee renners. Winnen zei toen: `Er zijn zowaar mensen die mijn petje willen hebben'. En De Rooy: `Voordat ik slik wat ze me willen geven, lees ik de bijsluiter'.

Mede daarom heeft De Rooy geen grote wielerwedstrijden gewonnen. Hij heeft gekozen: een gefortuneerde maar omstreden winnaar of een wielrenner die geld verdient met werken voor anderen. Profwielrenner zijn was voor de heao'er een beroep. Hij koos eieren voor zijn geld. Doping? Geen polonaise aan zijn lijf, dan maar een ondergeschikte, goedbetaalde rol als knecht.

De Rooy kon als renner zweten en zwoegen. Ik heb hem gezien op zijn fiets vol modder, kots en schijt. Hij deed zijn best, hij had altijd zin om te vlammen, alleen had hij het talent niet. Dat wist Theo de Rooy. Bezeten zijn van deze fascinerende sport en toch niet veel winnen. Zijn ploegleiders Walter Godefroot en Peter Post hebben zich afgevraagd wat zij met deze verstandige wielrenner moesten. En ook Jan Raas, die meedogenloze renner en zijn huidige baas, heeft zich weleens afgevraagd wat hij met De Rooy als ploegleider moest. Maar net als Godefroot en Post gaat Raas ervan uit dat deze nu 44-jarige vader van grote kinderen juist weet wat mag en wat niet mag, wat kan en wat niet kan. De vraag is of De Rooy zijn renners het verschil

kan uitleggen tussen waarom je wint en waarom je niet wint.

Vast wel.

    • Guus van Holland