Geen grote AR-premier

Mooie Barend, Barend de Geweldige, de Reus uit Aerdenhout, waren zijn bijnamen toen de door en door antirevolutionaire boerenzoon Barend Willem Biesheuvel voorjaar 1973 ietwat verbitterd de actieve politiek verliet. Zijn eigen ARP had hem, demissionair minister-president, in de steek gelaten door in te stemmen met een `gedoogrol' jegens het nieuw aantredende progressief-confessionele kabinet-Den Uyl (1973-'77).

Biesheuvel was toen net 53 en als ARP-man, die voorbestemd leek om een plaats te krijgen in een rij met grote geestverwante premiers als Kuyper en Colijn, eigenlijk uitgespeeld, al zou hij in de bijna dertig jaar die volgden nog wel veel werk verzetten in allerlei adviescommissies.

Hij was pas 36 toen hij, na zijn rechtenstudie aan de Vrije Universiteit en zijn `vooropleiding' als bestuurslid en voorzitter van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB), lid van de Tweede Kamer werd. Daarna wist hij, begunstigd door een snel verstand en een sterk fysiek, zijn politieke basis heel snel te verbreden. Het verbaasde niemand dat deze ambiteuze ARP'er al in 1963, als 43-jarige, minister van landbouw en vice-premier werd in het kabinet-Marijnen ('63-'65). Hij zou op Landbouw blijven tot 1967, achtereenvolgens in de kabinetten-Cals en -Zijlstra, en in de frequente marathondebatten in Brussel een grote naam krijgen. Daarna zou Biesheuvels wellicht grootste taxatiefout volgen. In 1967 had hij, hoewel vertegenwoordiger van een relatief kleine partij, premier kunnen worden van het centrum-rechtste kabinet dat de geschiedenis inging als het kabinet-De Jong ('67-'71). Maar Biesheuvel vond de kwaliteit van enkele KVP-ministerskandidaten onvoldoende, hij liet de eer aan de vroegere marine-officier en oud-minister van defensie Piet de Jong (KVP) en werd fractieleider in de Tweede Kamer.

In die rol zou Biesheuvel aandacht trekken als kriticus van het bevriende kabinet, onder meer met ongewoon harde ,,schoten voor de boeg'' van dat kabinet, dat overigens nooit echt in gevaar kwam en vrij kalmpjes zijn vier jaar volmaakte. Zó kalmpjes trouwens dat het niet of nauwelijks voeling leek te hebben met het soms heftige politieke en maatschappelijke debat dat in de tweede helft van de jaren zestig was losgebarsten.

In 1971 kwam zijn herkansing. Biesheuvel werd leider van een kabinet dat de fractieleiders van KVP, ARP, CHU en VVD al maanden voor de verkiezingen min of meer hadden afgesproken in een Londens hotel. Maar helaas, de kiezers werkten in zoverre niet mee dat die vier partijen voor een meerderheid DS'70 nodig hadden, een nieuwe partij, die met W. Drees jr. en de deftig-harde jonkheer M. de Braauw twee ministers leverde. Een jaar later ging het mis met Biesheuvels eerste en enige kabinet, dat zomer 1972 bezweek onder budgettaire ruzies en hevige persoonlijke tegenstellingen, waarbij Biesheuvel wel eens te veel de partijpoliticus bleef en te weinig boven de strijdende partijen stond. Hoe dat ook mag zijn geweest, de verkiezingen van herfst 1972 zouden na een zeer lange kabinetsformatie voor een soort omwenteling in de Nederlandse politiek zorgen.

In het geheugen staat nog een tragisch etmaal, voorjaar 1973, toen Biesheuvel als demissionair premier, in een televisie-interview in het Olympisch Stadion, in de rust van een Europa-Cupwedstrijd, bezwoer dat PvdA-formateur Burger er niet in zou slagen om de ARP'ers Boersma en De Gaay Fortman te bewegen om minister te worden in het beoogde kabinet-Den Uyl, en die twee de volgende dag nu juist wèl hun jawoord aan Burger gaven. Daarmee was in feite zijn partijleiderschap mislukt en het lot van de politicus Biesheuvel bezegeld.