Waterhoofd

De aanleiding ben ik al lang weer vergeten, maar zijn reactie is mij altijd bijgebleven: de fout die jij maakt is dat je ervan uitgaat dat mensen als vanzelfsprekend hun werk goed doen. Ik was toen nog jong; mijn vriend trouwens ook, maar hij was wel een stuk wijzer, althans meer door de wol geverfd. Ik meende dat mensen kozen voor een bepaalde werkkring omdat ze er belangstelling voor hadden. Dat gold dan niet iedereen maar toch zeker wel degenen die in de gelegenheid waren hun werk te richten naar hun interesses. De ruimte om dit te doen vind je nergens zo zeer als bij de universiteit en toen ik daar eind jaren zeventig kwam te werken, ben ik van mijn opvatting snel genezen.

De meeste medewerkers vonden de druk om onderzoek te doen maar lastig en vluchtten in een leven als vrijgestelde of in bestuurlijke activiteiten. De eersten waren er nooit; de laatsten draafden door de gangen met dikke mappen en verdeden hun tijd met bestuur en organisatie waar in die jaren vakgroepen nog een substantieel deel van de werktijd mee mochten vullen.

Geen werkkring is zo interessant als die van wetenschappelijk medewerker bij de universiteit waar mensen de gelegenheid hebben veel van hun persoonlijke interesses, manier van werken, de keuze van nationale en internationale contacten en de manier waarop ze die willen onderhouden, zelf grotendeels in te vullen. Als daar al mensen rondlopen die van hun werk niets weten te maken, dan verbaast het mij dus al lang niet meer, dat ook elders niet iedereen zijn werk goed doet.

Dat veel medewerkers bij de universiteit weinig uitvoerden, was het gevolg van de vrijheid die men daar kende. Iedereen was zijn eigen baas. Niet overal, weet ik, maar op veel plaatsen. Dat gaat alleen maar goed als mensen per definitie ernaar streven hun werk goed te doen. Dat idee is dus naïef en daarom ging het op menige plek goed fout.

Als onderzoek van de inspectie uitwijst dat vijf procent van de scholen onder de maat presteert, komt dit doordat we de kwaliteitsbewaking jarenlang aan de scholen zelf hebben overgelaten. Als hetzelfde onderzoek een aantal jaren geleden was gehouden, waren de uitkomsten ongetwijfeld veel slechter geweest, want toen werd er helemaal niet geïnspecteerd. Het is dan ook onjuist verband te leggen tussen het huidige lerarentekort en de ondermaatse kwaliteit van een beperkt aantal scholen. De werkelijke oorzaak ligt bij de controle die er jarenlang niet is geweest, er sedert kort wel is en dus aan het licht brengt wat al jaren mis is.

Kortom, er is alle reden verheugd te zijn over dit nieuwsfeit: slechts vijf procent is beneden de maat, en die scholen, zo belooft ons de inspectie, worden vanaf nu kritisch gevolgd.

Overigens loert inmiddels een ander gevaar, dat bedreigend is voor de kwaliteit van het onderwijs. Scholen maken steeds meer deel uit van grotere besturen die ook steeds meer zelf mogen bepalen hoe zij hun gelden besteden. Overal waar dit het geval is, tonen bestuurders de neiging vooral aan zichzelf te denken. We zien dit in de gezondheidszorg, bij universiteiten en hogescholen en steeds meer ook in het secundair onderwijs. Het luxe kantoor met designmeubelen steekt schril af bij de armoe op de werkplek. Net als ambtelijke organisaties hebben ook bestuurlijke organisaties de neiging te groeien. De enige manier om deze natuurlijke drift te beteugelen is vast te leggen hoeveel van het totale budget bestemd is voor het primaire proces. Anders gezegd, welk deel van het geld komt direct ten goede aan het onderwijs zelf. Als je dat niet vastlegt, krijgt elke onderwijsorganisatie een waterhoofd.

prick@nrc.nl

    • Leo Prick