Vertrouwenscrisis

DE TOP VAN het openbaar ministerie maakt zich zorgen over de bemoeienis van `de politiek' – lees: de Tweede Kamer – met zijn werk. Dat is de afscheidsboodschap van procureur-generaal Van Daalen bij zijn pensionering. Hij onderstreept een klacht die de nieuwe `super-PG', De Wijkerslooth, al rond de jaarwisseling de wereld inzond. De rol van de Tweede Kamer in de zaak-Mink K., die onlangs voor het gerechtshof Amsterdam werd omgezet in een zeperd voor het OM, lijkt het sluitend bewijs.

Toch levert deze zaak juist de sleutel tot een verklaring. De zaak is een uitvloeisel van de parlementaire enquête Bijzondere Opsporingsmethoden door de commissie-Van Traa. Deze legde een gezagscrisis bloot die niet in de laatste plaats het OM betrof. Deze conclusie vormde een belangrijke steun voor de regeringsplannen om het OM te stroomlijnen tot een hiërarchische organisatie met aan de top het nieuwe beleidscollege waartoe Van Daalen, na een indrukwekkende rechterlijke carrière, toetrad.

De stroomlijning bedreigde de traditionele rol van het OM als een bijna-rechter, die volgens een oud gezegde door de politieke autoriteiten slechts met fluwelen handschoenen kan worden aangepakt. Maar dat was geen overweging voor een opkomende managerelite binnen het openbaar ministerie zelf, die vooral was gepreoccupeerd met de `aansturing' van eigenzinnige magistraten.

DE GEZAGSCRISIS was daarmee wellicht opgelost, maar wat bleef was de onderliggende – en eigenlijk veel belangrijkere – vertrouwenscrisis. Een vroegere collega van Van Daalen, de huidige rechter Ficq, deed daarover ten tijde van de enquête een boekje open. Als verklaring voor de manier van opereren van politie en justitie, die door de commissie-Van Traa was gekritiseerd, noemde hij de politieke druk op het apparaat om te `scoren', zonder al te veel bekommernis om de manier waarop.

Het interessante van deze analyse was niet zozeer de politieke druk, als wel de ontvankelijkheid daarvoor van het OM. Het nieuwe OM betreurt deze toegefelijkheid, afgaande op het accent dat super-PG De Wijkerslooth heeft gelegd op de juridische kwaliteit van het OM en pas in de tweede plaats op de `crime fighter'-mentaliteit. Dat zou een belangrijke breuk zijn met het recente verleden. Maar voor een vertrouwenscrisis geldt hetzelfde als voor een oorlog: het is gemakkelijker haar te beginnen dan haar te beëindigen. Dat besef ontbreekt een beetje in het afscheidsvraaggesprek van Van Daalen in het personeelsblad van het openbaar ministerie. Zijn achterblijvende collega's zijn er hopelijk wel van doordrongen.