Van aftrek naar vergoeding

De belastingaftrek van beroepskosten is met ingang van 1 januari verdwenen. Werkkamer, computer en congres kunnen niet meer door de werknemer worden afgetrokken. De werkgever kan veel van dergelijke kosten wel belastingvrij vergoeden. Maar de fiscus let op.

De nieuwe belastingregels die vanaf 1 januari gelden, brengen fiscaal voordeel. Dat hebben de politici beloofd. De belastingtarieven dalen immers flink. Zo gaat het hoogste tarief van 60 naar 52 procent. Het loonstrookje bracht de zekerheid dat de nieuwe maatregelen inderdaad gunstig uitwerken op het beschikbare inkomen. Maar er zit een addertje onder het gras. De tariefverlaging is onder meer bekostigd door het schrappen van aftrekposten.

Dat negatieve effect merkt men bij het invullen van het aangifteformulier over het lopende jaar 2001. Dat gebeurt in het voorjaar van 2002. Pas dan wordt menigeen pijnlijk duidelijk dat het voorbij is met de aftrekbaarheid van bijvoorbeeld vakliteratuur of werkkleding. Voor schadebeperking is het dan te laat. Het is beter nu na te gaan of de werkgever bereid is dergelijke kosten geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Zo'n kostenvergoeding is namelijk belastingvrij, aangenomen dat ze reëel is. De fiscus zal het werkelijkheidsgehalte van de vergoedingen zeker toetsen. Mocht de inspecteur problemen hebben met de kostenvergoeding, dan kan hij er het onbelaste karakter aan ontnemen. In eerste instantie werkt dat uit als een financiële tegenvaller voor het bedrijf; op de langere duur komt de rekening bij de werknemer terecht.

Verscheidene bedrijven hebben al de aankondiging ontvangen dat de belastingdienst langs komt om de onkostenvergoedingen eens goed onder de loep te leggen. Eventueel bestaande afspraken over de fiscale erkenning van bepaalde kostenvergoedingen kan de belastingdienst openbreken, zelfs als ze voor een reeks van jaren werden gesloten. Wanneer de regels zo ingrijpend veranderen als op 1 januari het geval was, lopen oude afspraken niet vanzelfsprekend door. Het bijstellen van de afspraken gebeurt dan in een sfeer van verwarring want over de juiste toepassing van deze nieuwe regels tasten veel werkgevers nog in het duister. De werknemers zijn doorgaans niet bij de besprekingen op het belastingkantoor betrokken, maar het al dan niet erkennen van kostenvergoedingen raakt wel rechtstreeks hun financiële belang.

Aan dat toch al onoverzichtelijke terrein heeft de Hoge Raad onlangs een nieuw element toegevoegd. Het oordeel van ons hoogste rechtscollege kan een extraatje bieden aan werknemers met een auto van de zaak; doorgaans is dat een lease-auto. De Hoge Raad heeft namelijk groen licht gegeven voor het toekennen van een onbelaste kostenvergoeding voor het stallen van de lease-auto in de garage thuis. Staatssecretaris Wouter Bos (Financiën) heeft steeds bestreden dat een dergelijke kostenvergoeding onbelast kon blijven. De wet kent bijna geen mogelijkheden meer om een belastingvrije kostenvergoeding te geven voor een werkkamer thuis. De belastingdienst rangschikt een garage onder dat begrip `werkruimte'. De Hoge Raad denkt dat de dienst ander Nederlands spreekt dan de rest van de bevolking. Hij ziet een garage als stalling voor de auto en daarmee als mogelijke post voor een aftrekbare kostenvergoeding. De staatssecretaris kan de zo ontstane mogelijkheid van een fiscaal voordeeltje door een wetswijziging om zeep helpen. Dat kan hij evenwel niet met terugwerkende kracht. Zolang er niets verandert, ligt hier voor velen een mogelijkheid om een onbelaste kostenvergoeding binnen te slepen. In het berechte geval accepteerde de Hoge Raad een onbelaste vergoeding van 340 gulden per maand. Vanzelfsprekend moet men de garage daadwerkelijk gebruiken voor het stallen van de auto en niet voor het opslaan van de campingspullen en de fietsen.

Een bijzondere positie is traditioneel weggelegd voor de werknemers van banken, verzekeringsmaatschappijen en andere financiële instellingen. Die kunnen bij hun werkgever doorgaans geld lenen tegen een lage rente of zelfs helemaal renteloos. Zulke voordelen in natura vallen onder de belaste voordelen uit een dienstbetrekking, net als in geld uitbetaald loon. De belastingdienst heeft in het verleden evenwel afgezien van het belasten van zulk inkomen. Dat was geen goedgunstigheid. Tegenover het belasten van het loon in natura zou een even grote aftrekpost hebben gestaan. De aftrekmogelijkheden van rente zijn inmiddels goeddeels in rook opgegaan.

Daarom wil de belastingdienst nu wel zijn deel hebben van het loon in natura dat ontstaat door het rentevoordeel. Om de verandering soepel te laten verlopen, heeft de wetgever voor de jaren 2001 en 2002 een overgangsregeling getroffen. De fiscus ziet in die jaren nog steeds af van het belasten van het rentevoordeel mits de zachte personeelslening minder dan 7.500 gulden bedraagt. Dat is een cadeautje van hooguit enkele honderden guldens. Bij hogere leningen moet men over het hele rentevoordeel belasting betalen. Daar valt nog onderuit te komen en wel als men kan aantonen dat het geleende geld is gebruikt voor specifieke aankopen. Het gaat daarbij om zaken die de werkgever ook rechtsreeks belastingvrij had kunnen vergoeden. Dan doet het er fiscaal immers niet meer toe of de werkgever geld geeft dan wel in natura een voordeel toekent, bijvoorbeeld in de rentesfeer. Aanschaffingen waarbij een zachte lening aanvaardbaar is, zijn onder meer een OV-jaarkaart, een computer of de inrichting van een telewerkplek thuis. De laatste mogelijkheid om aan de belastingheffing ontsnappen, is het gebruiken van de zachte lening voor het kopen of verbeteren van zijn woonhuis. Dat laatste kan de aanbouw van een schuur betreffen of een nieuw dak, maar geen gewoon onderhoud zoals een schilderbeurt. Wie geen van de ontsnappingsmogelijkheden kan benutten, zit vast aan de belastingheffing over het rentevoordeel. De fiscus berekent dat voordeel door het verschil te nemen tussen het lage tarief dat de werkgever biedt en de marktrente. Om het niet te moeilijk te maken, gaat de belastingdienst voor het jaar 2001 uit van een marktrente van 5,25 procent.