NIEUW GOLFPATROON ONTDEKT OP BODEM VAN DE NOORDZEE

Onderzoekers van de Universiteit van Twente en Rijkswaterstaat hebben op de bodem van de Noordzee een nieuw golfpatroon ontdekt (Geophysical Research Letters, 1 april). Ze troffen het patroon aan in het Noordhindergebied, op zo'n zeventig kilometer vóór de kust van Hoek van Holland, waar de schepen die uit Het Kanaal komen de vaargeul naar Rotterdam-Europoort indraaien. Om de toegang tot dit belangrijke havencomplex te waarborgen, worden de waterdiepten in dit deel van de Noordzee, dat slechts 35 tot 45 meter diep is, door Rijkswaterstaat periodiek met sonarapparatuur gemeten.

Het opvallendste patroon op de bodem van het Noordhinder-gebied is dat van onderzeese zandgolven met een amplitude van ongeveer 5 meter en een `golflengte' van ongeveer 600 meter. Daarnaast is er een patroon van langgerekte zandbanken met een amplitude van ongeveer 1,5 meter en een golflengte van ongeveer 5.000 meter. Beide patronen ontstaan als gevolg van verstoringen in de getijstromen in dit gebied: bij de eerste in verticale en bij de tweede in horizontale richting. Bij de zandgolven staan de (sinusvormige) kammen bijna loodrecht op de hoofdrichting van de getijstromen, terwijl die van de zandbanken er een hoek van nul tot 30° mee maken.

Michiel Knaapen en zijn collega's hebben nu op een gedetailleerde dieptekaart van het Noordhindergebied een nieuw type golfpatroon op de zandige bodem ontdekt. Het betreft een zeer regelmatig patroon van golvingen met een amplitude van ongeveer 5 meter en een golflengte van 1600 meter waarvan de kammen een hoek van 50 tot 60° met de hoofdas van de getijstromen maakt. Zowel de golflengte als de oriëntatie van dit golfpatroon verschilt dus sterk van die van de al sinds lang bekende zandgolven en zandbanken op de Noordzeebodem.

De onderzoekers denken niet dat de golven, die zij long bedwaves hebben gedoopt, het gevolg zijn van een vrije instabiliteit in de wisselwerking tussen de getijstromen en de bodem. Zij denken eerder aan een niet-lineair effect dat samenhangt met de variaties in de hoogte van de zandgolven.