`Mijn familie heeft een traditie in zelfdodingen'

Ook hij hielp mensen die `klaar met leven' waren aan de dood. Toch werd hij niet vervolgd. F.P. Wibaut over willekeur en de traditie van zelfgekozen dood in zijn beroemde familie. ,,We hebben een beetje geëxperimenteerd met de Drion-pil.''

Als íemand uit persoonlijke ervaring kan meeleven met oude mensen die `klaar met leven zijn', is hij het. ,,Mijn familie heeft een traditie in zelfdodingen''. Hij zegt het fier.

Frank-Pieter Wibaut, huisarts in Amsterdam, schreef voor het artsenvakblad Medisch Contact dat gisteren verscheen een artikel onder de kop `De willekeur van het openbaar ministerie'. Hij beschrijft daarin twee van zijn patiënten, die hij hulp bij zelfdoding gaf omdat zij `klaar met leven' waren. En hij verbaast zich er openlijk over dat het OM, toen hij dit in 1998 en 1999 keurig volgens de regels had gemeld, besloot hem niet te vervolgen. Terwijl datzelfde OM deze week in hoger beroep schuldigverklaring eiste van P. Sutorius, de huisarts die oud-senator E. Brongersma hulp bij zelfdoding gaf omdat deze levensmoe was.

Hij is de achterkleinzoon van de beroemde Amsterdamse wethouder Florentinus Marinus Wibaut. Hij is ook de kleinzoon van de PvdA-senator Florentinus Wibaut, die als arts in de oorlog een belangrijke rol speelde in het medisch verzet. Én hij is de zoon van Frank Wibaut en Tineke Wibaut-Guilonard. Zij zaten eveneens in het verzet, zijn vader was ook huisarts, net als hijzelf.

Niet alleen in intellectueel, socialistisch of antifacsistisch opzicht behoorden generaties Wibaut tot een voorhoede. Ook omdat de familie zelfdodingen telt die hun tijd vooruit waren. Want het ging daarbij precies over de kwesties die nu weer in de belangstelling staan: `klaar met leven zijn' of `levensmoeheid' en het zelfbeschikkingsrecht van heel oude mensen die graag een zelfdodingsmiddel, een `pil van Drion' zouden willen innemen. Frank-Pieter Wibaut zet met zijn artikel in Medisch Contact dus in zekere zin een traditie voort.

Zijn ouders? ,,Het beroemde echtpaar Wibaut dat er samen uitstapte'', zegt hij. We hebben 50 jaar samen geleefd, nu kiezen wij voor de dood, stond boven hun overlijdensadvertentie. Tineke had kanker. ,,Voor mijn moeder was het hulp in het aangezicht van de dood, op mijn vader zou vooral de term `klaar met leven' van toepassing zijn. Met zijn tweeën konden ze de wereld nog aan, maar zonder mijn moeder kon mijn vader het niet meer alleen.'' Allebei waren ze 74 toen ze in 1996 in het bijzijn van hun kinderen een dodelijke coctail dronken. ,,We hebben eigenlijk een beetje geëxperimenteerd met het idee van de Drion-pil. Mijn vader kon als arts natuurlijk zelf aan de middelen komen. Maar eigenlijk was het belangrijkste dat we het nétjes wilden doen.''

Alles was keurig geregeld. De volgens de euthanasieregels vereiste second opinion was er. En de huisarts van zijn ouders had zich bereid verklaard waar nodig in te grijpen. ,,Want het is nooit zeker dat het met het leegdrinken van het glas helemaal lukt. Dan moet er bijgespoten worden. Mijn zusje verbood me terecht dat zelf te doen, want ik ben nooit de behandelend huisarts van mijn vader geweest. Toen het inderdaad nodig was, bij mijn vader, heeft de huisarts dat gedaan.'' Geheel volgens de regels is de lijkschouwer daarna ingeseind. Die heeft, zoals te verwachten was, de officier van justitie ingeschakeld. En deze besloot dat de familie Wibaut en hun huisarts gezien de zorgvuldigheid van hun handelen niet vervolgd zouden worden.

En euthanasie? Verder terug in de tijd. Het is 1974, Frank-Pieter is net begonnen aan zijn studie medicijnen als zijn grootvader, de senator en verzetsman, zwaar beneveld door de morfine ,,ligt dood te gaan'' in een ziekenhuis in Zeist. Hij is 86 en roept Pim, de aardappelen koken over! ,,Met Pim zat mijn opa in het medisch verzet. En `de aardappelen koken over', wisten we, was een code die ze in die tijd samen gebruikten als de nood heel hoog was.'' De familie heeft Pim, eveneens arts, ingeseind. ,,Dus Pim kwam, heeft met mijn opa gesproken en heeft er toen voor gezorgd dat er een drank kwam die hij kon opdrinken.'' Zijn grootvader raakte daardoor in coma. ,,Daarna hebben mijn vader en ik de deur van de ziekenhuiskamer van opa gebarricadeerd.'' Toen hebben ze hem zijn laatste, dodelijke injectie gegeven. In die tijd meldde je dat niet. ,,Het ziekenhuis heeft een verklaring van natuurlijk overlijden afgegeven.''

Inmiddels is Frank-Pieter Wibaut naast het werk in zijn eigen huisartsenpraktijk, ook een zogeheten `SCEA'-arts. Dat staat voor het project Steun en Consultatie bij Euthanasie in Amsterdam. SCEA-artsen zijn op afroep beschikbaar voor huisartsen die de second opinion nodig hebben die vereist is bij euthanasie of hulp bij zelfdoding. Talloze malen stond hij collega's bij; zelf gaf hij vier maal een patiënt hulp bij zelfdoding. De twee casussen die hij nu in Medisch Contact beschrijft, lijken het meest op de zaak-Brongersma.

In tegenstelling tot Brongersma zit meneer D., geboren in 1918, rechtszijdig verlamd en met afasie in een rolstoel, sinds hij in 1997 door een beroerte is getroffen. Terminaal is zijn situatie nog lang niet. Wibaut: ,,Gedeeltelijke verlamming is ook geen ziekte, maar een handicap.'' Wel moet meneer D. voor alles in en uit zijn rolstoel geholpen worden – ook voor toiletbezoek. Die afhankelijkheid is voor hem reden genoeg hulp bij zelfdoding te willen. Maar omdat zijn vrouw hem nog niet kan missen, vraagt hij er nog niet om.

Ze verhuizen samen naar een verpleeghuis en drie weken later overlijdt zij. Dan vraagt hij wel hulp. Nadat Wibaut een andere SCEA-arts heeft geconsulteerd wordt definitief vastgesteld dat geen sprake is van een psychiatrische stoornis of depressie. ,,Eigenlijk was de heer D. de minst gehandicapte en best gehumeurde bewoner van het verpleeghuis'', zegt Wibaut. Toch, begrijpen ook zijn kinderen, lijdt meneer D. door zijn handicap ondraaglijk en is hij met het overlijden van zijn echtgenote definitief ,,klaar met leven''.

D. trekt bij zijn dochter in en daar helpt Wibaut hem een dag later bij zijn zelfdoding. Alles wordt gemeld zoals het in 1998 hoort: de gemeentelijke lijkschouwer komt, die stuurt het dossier naar het openbaar ministerie. En ,,pas na negentien maanden volstrekte radiostilte'' hoort Wibaut dat hij niet wordt vervolgd. ,,Al die tijd zit je natuurlijk wél in spanning.''

In de tussentijd, drie maanden na meneer D., helpt Wibaut ook zijn patiënte mevrouw W. aan een einde waarnaar zij al lange tijd snakt. Nadat haar man in 1985 is overleden doet ze zelfmoordpogingen – als die mislukken probeert ze er in het verzorgingshuis waar ze woont toch maar wat van te maken. Ze sluit zich aan bij clubjes. Gaat borduren. ,,Trucjes'' ter afleiding, noemt ze dat. Intussen gaan haar ogen achteruit en loopt ze steeds moeilijker.

Als ze een paar keer is gevallen, geeft ze het toch op. Mevrouw W. heeft alleen nog een zuster, met wie zij gebrouilleerd is. Zij lijkt erg op de oude dame voor wie minister Borst (Volksgezondheid) onlangs begrip uittte. Wibaut zegt het bijna in dezelfde woorden als Borst: ,,Elke avond hoopte ze de volgende dag `gewoon' niet meer wakker te worden.'' Ook mevrouw W. zei nu echt `klaar met leven' te zijn. Wibaut helpt haar en meldt dat weer.

Inmiddels is er een regionale toetingscommissie ingesteld om euthanasie en hulp bij zelfdoding te beoordelen. De commissie acht de gang van zaken zorgvuldig, stuurt een afschrift van dat oordeel naar het OM en justitie sluit zich daarbij aan. Zes maanden later deelt het OM aan de huisarts van oud-senator Brongersma mee dat hij wél wordt vervolgd.

,,Als Brongersma mijn patiënt was, had ik denk ik hetzelfde gedaan als Sutorius'', zegt Wibaut. Het ,,bizarre'' van het vergelijken van zijn eigen patiënten met Brongersma, vindt hij, is dat het de vraag oproept wanneer iemand gehandicapt genoeg is om klaar met leven te mogen zijn. ,,Een jurist zal dan duidelijk moeten kunnen aangeven waar ondraaglijkheid van lijden begint. Wie wel, wie niet. En dat kán niet.''

Wibaut vindt hulp bij zelfdoding daarom iets ,,dat uiteindelijk nooit'' in regels is onder te brengen. Dat met de nieuwe euthanasiewet definitief toetsingscommissies ,,als buffer'' worden ingesteld, juicht hij dan ook toe. ,,Artsen moeten terecht transparant optreden en alles melden. Maar justitie wil desondanks kristalheldere grenzen blijven trekken in het schemergebied dat ook niet door de euthanasiewet is te regelen.''

Deugt die wet dan wel? ,,In laatste instantie blijft het een zaak tussen een patiënt en zijn arts. De reden waarom een patiënt precies vindt dat zijn lijden ondraaglijk is geworden, daar heeft uiteindelijk verder niemand iets mee te maken.''

    • Margriet Oostveen