Kok wil geen Nederlandse EU-minister

Premier Kok voelt er niet voor de coördinatie van het Europees beleid over te brengen van de minister van Buitenlandse Zaken naar een vice-premier voor Europese Zaken.

Dit zeggen goed ingelichte diplomatieke bronnen in Brussel. PvdA-fractieleider Melkert heeft deze week voorgesteld een vice-premier het Europese beleid te laten coördineren van alle Nederlandse ministeries.

Het probleem van de beleidscoördinatie was afgelopen woensdagavond het thema van een werkdiner van de permanente vertegenwoordigers (ambassadeurs) van de vijftien lidstaten van de Europese Unie, ten huize van de Zweedse permanente vertegenwoordiger Lund in Brussel. Zweden is voorzitter van de EU. De Nederlandse permanente vertegenwoordiger Bot was uitgenodigd de discussie in te leiden.

Het was toeval dat de permanente vertegenwoordigers over hetzelfde probleem spraken als Melkert aan de orde heeft gesteld. Volgens Melkert is de coördinatie van minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) onvoldoende. Als in Nederland een vice-premier, die geen minister van Buitenlandse Zaken is, deze taak zou overnemen, ontstaat er op Europees niveau echter een probleem. In de EU zijn de ministers van Buitenlandse Zaken officieel degenen die het werk van vakministers (Economische Zaken, Verkeer of Milieu) coördineren.

Aanleiding voor de discussie van de Brusselse ambassadeurs was de al jaren bestaande ontevredenheid over de EU-ministers van Buitenlandse Zaken, die veel tijd aan internationale politiek en weinig aan coördinatie besteden. Veel EU-lidstaten willen in 2004 bij een volgende wijziging van het Verdrag van de EU een nieuwe afspraak over de coördinatie vastleggen. Vijf van de vijftien permanente vertegenwoordigers zeiden woensdag dat hun land niets voelt voor het overdragen van de coördinatie aan een raad van vice-premiers van Europese Zaken.

Het bezwaar van de vijf had vooral betrekking op coalitieregeringen. Regeringsleiders met onder zich vice-premiers van Europese Zaken zouden onaanvaardbaar veel macht krijgen. In het geval van Frankrijk leverde de verdeling van de zeggenschap over Europese zaken tussen de president en de premier een extra moeilijkheid op.

De ambassadeurs concludeerden dat op Europees niveau de beleidscoördinatie het beste kan gebeuren door de regeringsleiders, die meestal vier keer per jaar als Europese Raad bijeenkomen. De ministers van Buitenlandse Zaken van de landen zouden zich alleen nog met internationale politiek moeten bezighouden. De permanente vertegenwoordigers zelf zouden direct onder de regeringsleiders moeten ressorteren.