Jacht op de Middeleeuwen

Wat moet het opwindend geweest zijn om in de vroege negentiende eeuw te horen bij de kleine groep die geroken had aan de waarde van middeleeuwse handschriften. Het belang ervan was nog maar nauwelijks erkend, maar er waren enkele academici en liefhebbers die ernaar op zoek gingen en fabuleuze vondsten deden. Het handschrift van Jacob van Maerlants Wapene Martijn was in het begin van de negentiende eeuw in handen gekomen van de dichter A.C.W. Staring. Hij had het in 1816 voor ƒ140 kunnen kopen. Hij liet er een speciaal sierkastje voor maken en als hij belangrijk bezoek had, haalde hij het handschrift te voorschijn en pronkte ermee. De prijs die jonker Staring betaald had, lijkt voor ons een schijntje, maar de nieuwe eigenaar had ver boven de gemiddelde prijs van zijn tijd geboden.

Een jonker die een middeleeuws handschrift koestert, is geen uitzondering in de negentiende eeuw. Veel oude werken zijn gered van de ondergang door de inzet van particulieren die zich aan het eind van de achttiende en begin van de negentiende eeuw realiseerden dat belangrijk cultureel erfgoed lag te verstoffen in oude kloosterbibliotheken en op zolders van landhuizen. Deze particulieren verzorgden ook uitgaven van de handschriften, zodat deze bekend werden in bredere kring. Staring deed dat ook. Voornaamste beweegreden voor deze eerste editeurs was het kweken van een eigen hoogstaand literair verleden. De middeleeuwse ridderlijke teksten leenden zich goed daarvoor. Daarvoor waren er ook wel af en toe uitgaven geweest van middeleeuwse teksten, maar die hadden dan meestal een taalkundig doel. Dat ze ook mooi, spannend, waardevol, kortom literair waren, drong pas aan het eind van de achttiende eeuw door tot de culturele elite.

Toen was er van de middeleeuwse letterkunde niet veel meer bekend dan de didactische poëzie van Jacob van Maerlant uit de dertiende eeuw en de Rijmkroniek van Melis Stoke uit het begin van de veertiende eeuw. De meeste andere grote middeleeuwse werken moesten nog ontdekt worden. De eerste Nederlandse literatuurgeschiedenis, die van Siegenbeek uit 1826, geeft de indruk dat er slechts een tiental teksten uit de periode tot 1400 overgeleverd waren.

Toch was in 1826 ook in Nederland de Middeleeuwenrage van de romantiek al begonnen. In de letterkunde begon de historische roman op te komen. Walter Scott had zijn Ivanhoe al geschreven en zijn werken werden in vertaling verslonden. Balladen en legenden met middeleeuwse stof waren door Willem Bilderdijk, Hendrik Tollens en Jacob van Lennep gedicht. De originele werken waren echter nog niet tot het grote publiek doorgedrongen. Maar daar werd aan gewerkt.

Vrijwel vanuit het niets ontstond er in die eerste decennia een enorme bedrijvigheid op het gebied van de middeleeuwse teksten in heel Europa. Geleerden en amateurs realiseerden zich dat er een achterstand in te halen viel.

Zelfs een eerste inventarisatie van wat er overgeleverd was, moest nog plaatsvinden. Daarbij ging het niet alleen om handschriften of vroege drukken van oude verhalen, maar ook om liederen en legenden die nog gekend werden door oude mensen uit het volk. In heel Europa waren in het begin van de negentiende eeuw de zogenaamde `antiquarians' koortsachtig op zoek naar oude bronnen.

In Nederland was het in die tijd vooral Bilderdijk die zich daarbij aansloot. Veel geld had de avontuurlijke man niet, dus zelf verzamelen was er niet bij. Als voorzitter van de literaire afdeling van het Hollandsche Instituut dat door koning Lodewijk Napoleon opgericht was, kon hij echter wel aan de slag. Hij schafte handschriften aan, spoorde ze op, verzamelde materiaal voor een woordenboek, en vervaardigde zelf een zorgvuldige editie van een deel van Van Maerlants Spieghel Historiael.

Een nieuwe impuls kreeg de verzamelcultus door de publicatie van een open brief van de bekende Duitse speurder en sprookjesverzamelaar Jacob Grimm, in die tijd bibliothecaris van de koning van Westfalen. Zijn brief `Aan Kenners en Liefhebbers der oude Nederlandsche Letterkunde en Dichtkunst' uit 1811 is een oproep om te zoeken naar oude literaire bronnen. Daarmee doelde hij niet alleen op handschriften, hij vroeg ook uitdrukkelijk naar `in den mond van oude lieden nog voorhandene volksliederen.' Een dergelijke open smeekbede om niets verloren te laten gaan was er in Nederland nog niet geweest. Maar er stroomden geen manuscripten binnen bij Grimm, al zal zijn brief zeker invloed gehad hebben op de bewustwording van de waarde van wat nog vaak als oude rommel werd beschouwd.

Een tiental jaren later was het weer een Duitser die kwam neuzen in Nederland, namelijk August Heinrich Hoffmann von Fallersleben. Hij ging zelf de archieven in. Daar vond hij teksten die nog steeds tot de canon van de vroege Middeleeuwen behoren, zoals Floris ende Blanchefloer en Karel ende Elegast. Ook ging hij de boer op om liederen te verzamelen. Wat zou ik graag met die man opgetrokken zijn.

De enorme bedrijvigheid door heel Europa in het zoeken naar bronnen is verbonden met het nationalismedebat. In de negentiende eeuw probeerde de intellectuele elite een eigen nationale geschiedenis te construeren voor hun vaderland. Van een nationale identiteit was tot dan toe nog geen sprake bij verschillende landen die vroeger geen eenheid hadden gevormd, maar uit kleine regio's bestaan hadden. Om eigen nationale wortels te vinden moest de literatuur te hulp komen en vandaar die zoektocht naar teksten die konden dienen als symbolen van een verbeeld machtig of interessant verleden. Als de hoofdpersonen heroïsche karakters hadden en hun leven in dienst van een opdracht stelden, demonstreerden die de glorie van het verleden op de juiste manier. Deze teksten kregen als het ware een sjibboletfunctie in de vorming van de cultuurnatie.

In Europa komen bijna alle sjibboletteksten uit de vroege middeleeuwen. Elk volk haalde uit zijn verleden zijn eigen epos dat vertelde van een dappere geschiedenis en blijk gaf van een prachtige oude literatuur in de volkstaal, zoals het Nibelungenlied, la Chanson de Roland en Beowulf.

In Nederland verliep het proces echter enigszins anders. Inderdaad waren de geleerden in het begin van de negentiende eeuw geobsedeerd door de Middeleeuwen. Jacob van Maerlant en Melis Stoke gooiden hoge ogen als nationale dichters. Dat duurde tot 1830. Met de Belgische revolutie kwam er echter een omslag. Toen Noord- en Zuid-Nederland gescheiden werden, konden de Middeleeuwen niet langer gezien worden als een periode waarop Hollanders trots konden zijn. Zuid-Nederland bloeide in de Middeleeuwen, maar het noorden was nog voor een groot deel zompigheid. De belangrijkste teksten uit de Middeleeuwen stamden uit het zuiden, en bovendien waren de onderwerpen katholiek. Het was alsof de Tachtigjarige Oorlog opnieuw gevoerd moest worden en de oude wonden opengereten werden. Jacob van Maerlant was een Vlaming en zijn teksten konden niet langer nationaal genoemd worden.

Dus keerden de auteurs en geleerden zich af van de Middeleeuwen en zochten hun wortels in wat de Gouden Eeuw van Holland genoemd ging worden: de zeventiende eeuw. Deze periode werd nu het object van nationale gevoelens.

Dit gebeurde op alle niveaus van het letterkundig leven. De Gids veroordeelde historische romans die zich op de Middeleeuwen baseerden. Een fatsoenlijk vaderlands schrijver hoorde zijn stof in de Gouden Eeuw te zoeken. Lezers moesten zich spiegelen aan nationale burgerdeugden uit die tijd. De romantische dweepzucht met de Middeleeuwen werd afgedaan als dwaas en kinderlijk. De literatuurgeschiedenissen die in toenemende mate geschreven werden, gaven alle aandacht aan de zestiende en zeventiende eeuw als glorieuze periode voor de vaderlandse literatuur. De Middeleeuwen worden afgedaan als vooroefening voor de `geniale' zeventiende-eeuwers. Ofschoon er een Vereeniging ter bevordering der oude Nederlandsche letterkunde opgericht werd in 1843, kon deze de verguizing van de Middeleeuwen niet tegengaan.

De belangrijkste schrijver uit het verleden werd nu Joost van den Vondel. In de schouwburg werd zijn Gysbreght van Aemstel vanaf 1841 jaarlijks op nieuwjaarsdag opgevoerd, een traditie die met de miljoentjes van Joop van den Ende makkelijk heringevoerd zou kunnen worden. Ik ben ervan overtuigd dat er met de juiste regisseur en tekstbewerker een kanjer van een stuk op de planken te zetten valt. In de negentiende eeuw van na de Belgische scheiding werd de Gysbreght van Aemstel de nieuwe sjibbolettekst. Alle burgerdeugden waren in dit stuk verenigd: huwelijkstrouw, dapperheid, patriottisme, gehoorzaamheid aan God. Toch is deze nationale tekst van Nederland met zijn zeventiende-eeuwse oorsprong niet helemaal losgeweekt van de Europese Middeleeuwenvoorkeur. Het verhaal van Gysbreght van Aemstel speelt zich namelijk af in de vroege Middeleeuwen, en Vondel gebruikte middeleeuwse kronieken als bron. Wat een majestueus vroeg voorbeeld van een poldermodeloplossing!

P.S. Met wassende maan en beschermd tegen nachtvorst heb ik de vier paardenbonen die me naar aanleiding van mijn column van 11 november toegestuurd waren, in de grond gestopt. Er zijn prachtige garnaalvormen naar boven gekomen. Ik hou u op de hoogte.

    • Marita Mathijsen