Het verleden is een vreemd land

Al twintig jaar reist Anil Ramdas door India, maar Bihar, het land van zijn voorouders, meed hij tot nu toe. Is het beter onwetend te blijven? `Ik heb geen andere band met de mensen dan dat ze geuren en geluiden verspreiden die ik, zoals een kleuter bij de stem van zijn moeder, kalmerend vind.'

De Sone is een mannelijke rivier, zegt mijn gids. Alle Indiase rivieren zijn vrouwelijk, behalve deze zijtak van de Ganges. Als om dit wonderlijke feit te begrijpen, kijk ik nog eens goed naar buiten. Maar aan de ondiepe, trage stroom die sneeuwwitte zandbanken doorsnijdt valt mij niets mannelijks op.

Hij zal het grammaticaal bedoelen, hij studeerde Sanskriet. Aan zijn gezicht kun je zien dat hij niet rookt of drinkt en strikt vegetarisch eet. Ook als ik niet wist dat hij Sanskriet had gestudeerd – het is een vak waar je zelfs in dit land niets aan hebt – had ik geweten dat hij van deftige afkomst is. Een rajput, of het hoogste, een brahmaan. Je ziet het aan de oogopslag; trots, maar niet arrogant. En aan zijn lichaamsbeweging; gedistingeerd, bedaard, hoffelijk.

Ik ben nog maar een amateur in het bepalen van de afkomst op grond van het uiterlijk. Mijn gids kan subkasten onder de kastelozen onderscheiden: de noniya, de kleigravers in de baksteenindustrie, de dusadh, die in holen leven, en de allerlaagsten, de musaher, van wie men zegt dat ze rattenvlees lekker vinden.

Ik kan alleen globaal zien of iemand kasteloos is. Aan de manier waarop die gehurkt zit, zichzelf zo klein mogelijk makend. Waarop die kijkt, schichtig, elk oogcontact vermijdend. Aan de manier waarop die ruikt, maar het is niet netjes daarover te schrijven.

Deze streek wordt geteisterd door het kastenstelsel. Er zijn mensen die denken dat dat in heel India het geval is, maar dat is niet waar. Van alle streken leeft het kastenbewustzijn het sterkst in Bihar. En laat Bihar nou de staat zijn waar mijn voorouders vandaan komen...

Bihar wist ik tot nu toe te vermijden. Ik kom al twintig jaar naar dit land, met kleine, overzichtelijke missies. Door heel India heb ik gereisd, maar Bihar sloeg ik met een grote bocht over. Bihar was op de een of andere manier te ernstig. Te zwaar. En ik zou niet eens kunnen uitleggen waarom.

Heimelijk rootsgevoel? Ik heb daar een officieel antwoord op: nee, ik ben niet op zoek naar mijn roots. Ik heb een hekel aan de term en als vrienden dachten dat ik naar India verhuisde omdat daar nu eenmaal mijn wortels lagen, raakte ik hogelijk geïrriteerd. India is voor mij gemakkelijk, zei ik altijd, omdat ik de taal beheers en door mijn voorkomen kan opgaan in de massa. Dat is alles, beste mensen, dat is echt alles!

Maar je merkt soms dat je jezelf overschreeuwt. Dat de stem waarmee je spreekt niet helemaal samenvalt met de stem waarin je denkt. Dat je aan het bluffen bent, terwijl iedereen kan zien dat er iets scheelt.

Ik wil niet beweren dat het ernstig is, het is misschien zelfs een luxeprobleem. Mijn grootouders zaten er niet mee, dat ze hun land hadden verlaten, als ze al het idee hadden dát ze iets verlieten, en dat het inderdaad hún land was. Mijn ouders waren te druk met studeren en vooruitkomen om gehinderd te worden door vragen over verbondenheid en identiteit. Ik zette die trend nog even voort, door het verleden als afgesloten te beschouwen en mezelf afwisselend Surinamer en Nederlander te noemen.

Maar nu sta ik toch voor de Sone, de mannelijke rivier, bij een anderhalve kilometer lange ijzeren brug die nog door de Britse kolonisators is gebouwd, om naar mijn land van herkomst te gaan – hoe vreselijk en banaal ik dat ook vind klinken.

Aan de overkant begint het Bhojpur-district, waar de bevolking dezelfde taal spreekt als wij in Suriname – alleen is die bevolking onhandig groot; bijna 100 miljoen mensen, verspreid over vijftienduizend dorpen, zonder dat ik ook maar een idee heb van welke kant ik op moet.

Nauwkeurige aanwijzingen heb ik nooit willen hebben. Er zijn dikke proefschriften geschreven over hoe je je dorp kunt lokaliseren, een oom van me is zo gek geweest om naar Londen te reizen om er de koloniale archieven te bestuderen, en er bestaat in India een website waar je al je gegevens kunt doorgeven aan lieden die op commerciële basis je familie traceren – no cure no pay, zeggen ze, en het klinkt pijnlijk nuchter.

Maar na verhalen van mensen die hun dorp werkelijk vonden en bezochten – het bekendst is het relaas van V.S. Naipaul in An Area Of Dark- ness, die van schaamte en afkeer geen raad wist met zichzelf – bedacht ik dat je beter onwetend kunt blijven.

De brug over de Sone is te smal voor tweerichtingsverkeer. We moeten wachten op een signaal van een agent die met een vlag aangeeft wanneer we de oversteek kunnen beginnen. De chauffeur rijdt te hard, hij toetert de voetgangers praktisch van de brug af, mensen met bundels op hun hoofd, ongeveer zoals mijn voorouders moeten hebben gedragen; maar mijn vraag, leg ik nogmaals uit aan mijn gids, mijn vraag is niet uit welk dorp mijn familie komt, maar waarom mensen uit deze streek zo massaal zijn vertrokken.

Honderdduizenden zijn er weggegaan, tussen 1850 en 1900, niet alleen naar Suriname, maar ook naar Guyana en Trinidad, en later naar Mauritius en Fiji: wat bewoog hen, wat waren hun gronden?

Oké, er was armoede. Hoe vruchtbaar dit alluviale land in de hoek van de Ganges en de Sone ook is, het was ongelijk verdeeld. Maar de kleine boeren stuurden hun zonen buiten het plant- en oogstseizoen altijd tijdelijk weg. De jongens gingen werken in de havens van Calcutta, of namen dienst in het leger, maar zelfs na zes of zeven jaar kwamen ze terug naar hun geboortedorp, waar hun ouders woonden, waar ze meestal een vrouw hadden, soms ook kinderen.

Mijn voorouders daarentegen namen hun vrouwen mee. Dat is geen tijdelijk afscheid, dat is eeuwig vaarwel. Vrouwen mogen niet migreren, vrouwen mogen de zeven zeeën niet oversteken, dat is volgens de heilige boeken zo ontzettend zondig, dat ik een verklaring wil hebben. Waarom staken zoveel vrouwen de mannelijke Sone over?

Als ik niet weet in welk dorp ik moet zijn, vraagt mijn gids, kan ik dan misschien aangeven wat voor dorp ik wel zou willen bezoeken: welvarend, noodlijdend, gemiddeld? Ik kies voor gemiddeld. Gemengd of ongemengd? Naar kaste, bedoelt hij, en ik wil gemengd. Het schijnt geen eenvoudige opgave te zijn, want er ontstaat een twistgesprek tussen de gids en de chauffeur. De chauffeur wil liever naar een `brahmaans dorp', omdat die met de auto beter bereikbaar zijn. Voor een dorp met veel kastelozen moet je vele kilometers te voet afleggen en een gemengd dorp zit daar tussen in. Ik beslecht de ruzie door een van de namen die ik heb gehoord uit te roepen: Kulharia, daar wil ik naar toe. Het is een mooie naam, uit zo'n dorp zou ik willen dat mijn grootouders kwamen.

Het is halfacht in de ochtend als we stoppen bij een schooltje aan de rand van Kulharia. Het was mijn wens om er zo vroeg mogelijk te zijn, omdat ik het leven van zonsopgang tot zonsondergang wilde meemaken. Daarom zijn we om vijf uur 'sochtends vertrokken uit Patna, de hoofdstad van Bihar. En het is goed dat ik pas onderweg bekendmaakte naar welk dorp ik wilde. Als men er lucht van krijgt dat iemand komt, wordt er van alles voorbereid: een ontvangst met een officiële toespraak, een culturele voorstelling met zingende kinderen, een maaltijd en een groots afscheid. Mensen die je omhelzen alsof een lang verloren zoon weer terecht is. Zulke verhalen had ik gehoord. En het kost erg veel rupees, want een familielid overzee moet het een en ander inlopen – de huwelijkskosten van zoveel generaties `nichtjes', om te beginnen.

Het is rustig bij het schooltje. In de oogsttijd werken alle kinderen op het veld, vertelt mijn gids. Met wie ik wil spreken, vraagt hij. Met niemand. Heel even met niemand. Ik ben in het dorp van mijn voorouders, in een van de 15.000 dorpen waar ze vandaan hadden kunnen komen, mag ik er even in alle stilte sentimenteel van worden?

Maar het sentiment is natuurlijk vals. Of ten minste geforceerd. Ik ben een accidental tourist, iemand die een paar dagen door Bihar wandelt en 's avonds in een hotelkamer in de hoofdstad slaapt met airconditioning. Ik heb misschien een band met de mensen van deze streek, maar welke dat is, blijft onduidelijk. Dus blijft mijn gids informeren welke bezienswaardigheden ik wil bezichtigen.

Bezienswaardigheden?

Ja, de rijstvelden, het postkantoor, de kliniek.

De rijstvelden zijn vlakbij. Pal achter de huizen van de dusadh, de kastelozen die het dorp niet inmogen, maar wel het land van de brahmanen mogen bewerken. Zei ik huizen? Het zijn een soort slordige iglo's van klei en koeienmest. En ik haal het in mijn hoofd om aan mijn Sanskrietgeleerde te vragen of ik een van die holen van binnen mag zien. Hij vraagt waarom, er is op dit moment niemand, iedereen is op het veld. Maar voor hij officiële belemmeringen heeft kunnen bedenken, kruip ik op handen en voeten door een holte naar binnen en kom ik in een ruimte die lichter is dan ik had verwacht. Het is er niet eens vies. Alleen de lucht van koeienstront is niet te harden. Op bamboerekken liggen mestkoeken te drogen, die zullen dienen als brandstof en bouwmateriaal. Onder die rekken slapen ze. Wat daar de noodzaak van is kan ik niet begrijpen, maar zo doen ze dat dus al eeuwen.

In een hoek zitten twee kinderen die mij met grote, verwonderde ogen aankijken. Een van hen zit te eten. Rijst met erwten van een onbestemde kleur. Hij blijft dooreten, ongeïnteresseerd en langzaam, alsof het een dagtaak is. Aan de hoeveelheid rijst te zien zal het een dagtaak zijn, zoveel is er op zijn metalen bord, maar misschien moet zijn zusje er ook nog wat van krijgen.

Om bij de velden te komen moeten we een hoger gelegen spoorweg oversteken, waar de Rajdhanie-express van Delhi naar Calcutta over raast, twee keer per dag. Langs het spoor bevindt zich ook het pad waar de kinderen tien kilometer over moeten lopen om naar de middelbare school te gaan. Maar die kinderen werken nu op het veld. Het is zo sereen, de temperatuur is zo aangenaam, de wind is zo heerlijk, dat je niet kunt geloven dat er problemen zijn, hier in Bihar.

De betovering wordt nog versterkt door golfjes van filmmuziek, meegevoerd door de wind. Ik ken het lied en kan het meezingen. Maar waar komt het vandaan? Het duurt een poos voor ik heel in de verte een fietser zie aankomen. En het duurt nog langer voor ik in de gaten krijg dat hij een luidspreker op zijn stuur heeft vastgemaakt. Hij rijdt langs de dorpen, met ijsjes in de achterbak. Het moderne leven komt er aan, het is zo ongelooflijk romantisch.

Kom, zegt mijn gids, ik moet de notabelen van het dorp begroeten, het is onbeleefd om hier rond te dwalen zonder hen te hebben eerbiedigd met een bezoek.

Zo begint mijn tocht langs de smalle steegjes met open riolen aan weerszijden. Het is armoedig en erbarmelijk, maar ik kan mijn opgewekte stemming er niet door kwijt raken. Het postkantoor? Dat is een bouwval die bijna altijd gesloten is, hoewel de deur volledig uit de hengsels hangt. De kliniek? Een broeierige ruimte van drie bij vier meter met een glazenkast vol oude medicijnflessen, een vuile tafel en een onzindelijk bed waar de zieken te horen krijgen wat ze hebben. De dokter komt één keer per week en voor urgente gevallen moet je naar Ara, de dichtstbijzijnde stad, op twee uur lopen langs het spoor. Er is ook een ayurvedische arts, zegt men ter geruststelling. Die geeft je bladeren en kruiden tot je beter wordt of dood gaat, maar hij is er tenminste altijd.

Het is oogsttijd en alle vrouwen en kinderen zijn op het veld, maar opvallend veel mannen hangen in het dorp rond. Ze vergezellen ons, de delegatie groeit van vier tot vijf tot twaalf man. En tegen iedere nieuwsgierige die uit zijn huis komt, roept iemand uit het gezelschap wat ik ben komen doen: ,,Hij komt uit het buitenland, hij zoekt zijn familie.''

Het is wat cru uitgedrukt, maar alle deuren gaan open en bij iedereen moet ik thee komen drinken. De smaak van de zoete chai doet mij denken aan mijn grootmoeder die mij, toen ik nog geen thee mocht, heimelijk kleine slokjes uit haar tinnen beker liet proeven. Ook de geur van brandend hout in de klei-oven komt van heel ver terug. En de klank die men voortbrengt om elkaar aan te roepen, een langgerekte `i', en de hartelijkheid, en het gezeur om te blijven eten. Ik probeer de sensatie vast te houden, het tintelende gevoel wanneer je merkt dat het verleden echt bestaat. Het verleden is een vreemd land, zei Rushdie in Imaginary Homelands, maar het verrassende is dat je er door kunt wandelen.

Iedereen toont mij zijn kunstje: de pottenbakker geeft aan zijn draaischijf nog eens extra vaart, de zoet- houtverzamelaar snijdt de takjes met rappe bewegingen op maat, de stromaler toont twee methoden om veevoer te maken, bij de veeboer weet ik niet of hij in de stal slaapt of de koe in het huis, en van de imker moet ik een kom honing proeven, die zuiver en kleurloos is als vloeibaar glas, maar waar je desondanks misselijk van wordt. Het merkwaardige is dat als je door het verleden wandelt, degenen die je aantreft ook in museumstukken veranderen. Ik kan ze niet zien als `mijn mensen', ik heb geen andere band met hen dan dat ze geuren en geluiden verspreiden die ik, zoals een kleuter bij de stem van zijn moeder, kalmerend vind.

Anders is het als ik op het dak van een huis ineens een grote schotelantenne zie. Dit is een weg naar de wereld, hier wil ik wel twee kopjes thee drinken. De man in kwestie is de plaatselijke kabelexploitant, die ook televisietoestellen repareert en video-opnamen maakt van verlovingen en huwelijken. Een ondernemende jongen, met als enig nadeel dat hij besluit de rest van mijn dag met de camera vast te leggen. Als vanavond de vrouwen en kinderen thuiskomen, kunnen ze op televisie zien wat ze gemist hebben.

Vervolg op pagina Z2 (32)

Een vreemd land

Vervolg van pagina Z1 (31)

Dat brengt mij op de vraag waarom juist de vrouwen en kinderen het zware werk in de zon moeten doen. De mannen die mij omringen beginnen door elkaar te praten, en ik blijk het niet goed te hebben gezien: alleen de vrouwen en kinderen van de lagere kasten zijn op het veld, de brahmaanse vrouwen en kinderen zitten thuis, achter de gordijnen, omdat zij niet met vreemdelingen mogen omgaan.

Maar ik moet niet denken dat het zo erg is voor die kastelozen. Ze zijn veel gelukkiger dan de anderen, wordt beweerd. Want de twee grootste zorgen die een hindoe van zijn kaste heeft, hebben zij niet: de opleiding van de zoon en het huwelijk van de dochter. De kasteloze kan het niet schelen of zijn zoon naar school gaat en of de dochter maagd blijft. Laatst nog werd een noniya-meisje betrapt met een brahmaanse jongen en die noniya's schaamden zich niet eens. De hele familie hebben ze uit het dorp moeten verbannen...

Hoe meer ik hoor, hoe verder deze mensen van mij af komen te staan. Alsof het verleden met razende snelheid verder teruggaat in de tijd, blijf ik achter met nutteloze aantekeningen en nutteloze vragen.

Plotseling wordt het stil in de groep. Iedereen kijkt verschrikt op. Na enige tijd fluistert de gids mij toe dat de zamindaar in aantocht is. De landheer, de machtigste man van het dorp, aan wie wij geen beleefdheidsbezoek hebben gebracht, terwijl dat al bij mijn aankomst had gemoeten. De angst op de gezichten om mij heen is zo authentiek, dat ik ook onder de indruk raak van het heerschap dat komt aanwandelen. Hij is groot van bouw, hij draagt een Indiaas gewaad, met een grote, donkerbruine sjaal om de schouders. Zo zie je ze in films, maar mijn cameraman heeft zijn apparaat snel opgeborgen. Dit zullen de vrouwen en kinderen vanavond moeten missen.

,,Ik heb begrepen dat je je familie zoekt'', zegt hij al vanaf enige afstand. Hij heeft een heldere stem, geoefend in het commanderen. Mijn gids zwijgt eerbiedig, ik ben op mezelf aangewezen. Maar wacht, ik ben een passant, een toerist, ik hoef niet onder de indruk te zijn van deze middeleeuwse figuur! ,,Nee'', zeg ik, en ik probeer uitdagend te klinken: ,,Ik wil alleen weten waarom zoveel mensen dit gebied zijn ontvlucht.''

,,Ach, mensen gaan en komen'', zegt hij en gaat licht hijgend zitten op een stoel die er daarnet nog niet was.

,,Maar mijn familie ging voorgoed weg, de vrouwen gingen mee.''

,,Jij bent toch teruggekomen?''

De man speelt een spelletje, ik zal provocerender moeten zijn: ,,Het moet heel erg zijn geweest hier, als ook de vrouwen meegingen. Zelfs brahmaanse vrouwen.''

De zamindaar zwijgt even, hij moet nu zijn gezicht redden, ten overstaan van de dorpelingen die met ingehouden adem luisteren.

,,Valse beloften'', zegt hij. ,,Ze trapten in valse beloften.''

De ontmoeting begint de vorm aan te nemen van een rechtszaak, maar hoe moet ik deze landheer duidelijk maken dat die beloften uiteindelijk niet vals waren? Dat wij die weggingen er nu beter aan toe zijn dan deze stakkers die zo naar hem opkijken? En was dat de bedoeling van mijn komst, dat ik hen dit feit kwam inpeperen? Want zo kun je het rootsgezoek ook zien: de quasi-treurige migrant die eigenlijk zijn triomf komt demonstreren.

De zamindaar blijft bij zijn standpunt. Degenen die weg zijn gegaan, hebben er zelfs na drie generaties spijt van. Hij kan dan wel de beklaagde zijn, de beklagenswaardige ben ik. Vermoeid staat hij op: ,,Je zoekt de grond waar je toe behoort. Dat is goed jongen. Zoek maar.''

Als de zamindaar vertrokken is, haalt iedereen opgelucht adem. Er ontstaat zelfs iets als een feeststemming. Maar nu wil ik hier weg. Uit het verleden kun je beter vluchten.

    • Anil Ramdas