Een provinciale apocalyps

Je kunt het nauwelijks meer geloven, maar nog niet zo lang geleden gold het Nederlandse platteland als een symbool van hervonden kleinschaligheid en geborgenheid. Terwijl Nederland als natie bereid bleek zich onder te dompelen in het warme bad van de mondialisering, in het besef dat de natiestaat daar vroeg of laat volledig zou oplossen (maar dat gaf niets, want dan zou het tenminste nooit meer oorlog worden, en het was in ieder geval goed voor de economie), volgde als vanzelf de reactie: de regionalisering van het nationale bewustzijn. Met de terugwerkende kracht van de tijdgeest werd het dagelijkse leven in de provincie ineens niet meer iets waar op neer gekeken moest worden, omdat het statisch en voorspelbaar zou zijn. Integendeel, het moest daarom juist gekoesterd worden.

De Nederlandse ziel huisde in het hart van de Nederlandse provincie, in Jorwerd en in Zalk, in al die kleine plaatsen met bizarre namen waar het leven plotseling exotisch bleek in zijn herkenbaarheid. Niet dat er daar geen ellende was, er gebeurden ook heus heel nare dingen, maar het was leed naar de menselijke maat. In het populaire televisiemagazine Hart van Nederland, zag je dagelijks tractors op hun kop in een sloot liggen, koeien uit een sloot getrokken worden of bejaarde amateursporters met een stok over een sloot springen. Klein nieuws bleek groot nieuws, als je er maar dicht genoeg op ging staan. Een teruggevonden portemonnee, een nieuwe rolstoel voor een invalide bijstandsmoeder, een pasgeboren kalf, een volledig afgebrande boerenhoeve die geheel in de oude staat hersteld kon worden – en kijk eens, alweer een honderdjarige! Klein en beheersbaar, omgeven met een randje nostalgie – dat was het nieuwe Nederland, dat eigenlijk juist heel oud was, we hadden er de laatste decennia, verblind door toekomstvisioenen van eenwording en wereldmarkten en wereldculturen, alleen niet meer goed naar gekeken.

Het was een droom van onschuld, en zulke dromen duren maar kort. Dat beeld van een authentiek provinciaal leven, concreet en overzichtelijk, ver verwijderd van het geraas van de digitale snelweg, onbesmet door het virus van versnelling en versmelting, kon alleen overeind blijven wanneer de grote wereld er verre van gehouden werd, wanneer ze als een apart reservaat gezien werd. De omslag kwam met de moord op de tiener Marianne Vaatstra in het meer dan landelijke Zwaagwesteinde. Die moord kreeg landelijke betekenis, omdat ze verstrikt raakte met de problematiek van asielzoekers en vrijwel wekelijks op televisie tot een nationaal verhaal werd gemaakt door misdaadverslaggever Peter R. de Vries. En ze werd niet opgelost, alle geavanceerde technieken van de grote wereld ten spijt.

Het bleek de opmaat van het beeld dat sindsdien de media beheerst: de provincie als oord van verschrikkingen, die maar niet bezworen kunnen worden door de machten van de staat der Nederlanden. Het nieuws uit de provincie staat ineens niet meer achter het nieuws uit de grote wereld, ze is het grote nieuws geworden. Als je vijf jaar geleden had voorspeld dat de voorpagina's van de landelijke kranten en het televisiejournaal een tijdlang gedomineerd zouden worden door de vraag of de gemeenteraad van Volendam mag blijven zitten of juist niet, zou je onbesmuikt zijn weggelachen. Net zo als wanneer je voorspeld zou hebben dat nieuws over het gefnuikte vredesproces in het Midden-Oosten en de oplopende spanningen tussen de VS en China vrijwel volledig zouden worden weggevaagd door het bericht dat Beatrix op Koninginnedag Meppel niet bezoekt, omdat men bang is dat ze mond- en klauwzeer zal verspreiden.

Het hart van Nederland is de hel van Nederland geworden, het gekoesterde, hanteerbare kleine leven is voor onze ogen veranderd in een apocalyps. Burgemeesters van dorpen waar je nog nooit van hebt gehoord, halen de voorpagina's omdat ze beschoten zijn of per post een dreigende kogel hebben ontvangen, radeloze boeren steken bussen van de mobiele eenheid in brand. Geen dag gaat voorbij of er wordt in een of andere uithoek wel een stille tocht georganiseerd om een plaatselijke onvoorstelbare verschrikking te herdenken, die een nationale resonans heeft of zou moeten hebben. En in de kranten verschijnen steeds meer verontwaardigde stukken over op alle fronten falende lokale overheden, die fout op fout gestapeld zouden hebben, die het allemaal niet aan blijken te kunnen, die het aan verantwoordelijkheidsbesef zou ontbreken – een lijn van slapheid en slonzigheid die rechtstreeks omhoog loopt naar de grote wereld, tot aan de verantwoordelijke ministers toe (een minister van Defensie wordt gevraagd af te treden wegens het ontploffen van een vuurwerkfabriek, dat is de situatie in een notendop). Over de toestand in de wereld hoor je niets meer, de blik is plotseling verbeten naar binnen gekeerd. Het gaat niet langer over de plaats van Nederland in de grote wereld, het gaat er ineens alleen nog maar over of Nederland wel tegen Nederland is opgewassen. Volendam, Enschede en Kootwijkerbroek, dat zijn de brandhaarden van het nieuwe millennium.

Ik vraag me af of het niet gewoon de keerzijde is van dat gewild rooskleurige beeld van de provincie, van dat verlangen naar trekvaart en dorpspomp, naar al dat kleine nieuws dat juist o zo menselijk en navoelbaar is. Geen paradijs zo ongerept of ons overbewustzijn laat er snel een slang binnenglippen. Ieder ideaal van zuiverheid roept als vanzelf het tegendeel op. Wie het gewone leven gaat verheerlijken, ziet in iedere ramp een ingreep van de grote boze wereld, in dit geval de overheid in alle gedaanten.

Er zit iets ongezonds in die drang om al het kleinschalige onmiddellijk nationaal te maken, om iedere lokale ramp (en rampen zijn, een fikse kernoorlog uitgezonderd, in beginsel lokaal) als een teken van een nationale malaise te zien. Want dat is de werkelijke cultuuromslag die allang heeft plaatsgevonden, die helemaal geen ferm kabinetsbeleid meer nodig heeft: het grootheidsdenken van de jaren zestig en zeventig (`Nederland waarschuwt de wereld voor de laatste keer') heeft plaatsgemaakt voor het al net zo narcistische provinciale denken, waarbij we iedere lokale gebeurtenis op onszelf betrekken, waarin alles wat op plaatselijk niveau misgaat en ontspoort, het zoveelste bewijs van ons tragisch onvermogen en onmacht vormt. Dat is geen nieuwe betrokkenheid, dat heet zwelgen.

    • Bas Heijne