Waarom de winnaar heftig met een pook zwaaide

Morgen is het vijftig jaar geleden dat de filosoof Ludwig Wittgenstein bij zijn arts in Cambridge overleed. Nog steeds geldt zijn werk als een mijlpaal in de geschiedenis van de filosofie. Meer dan dat van zijn opponent in een van de meestbesproken ruzies uit die geschiedenis, Karl Popper.

Ludwig Wittgenstein was een filosoof voor filosofen, die zich uitsluitend bezighield met problemen die zijn ontstaan binnen de wijsbegeerte. Geconfronteerd met een probleem diende een filosoof zich eerst af te vragen of het een wetenschappelijk of een filosofisch probleem was. In het eerste geval moest de filosoof de beantwoording overlaten aan de wetenschap; in het tweede geval moest hij aantonen dat het een schijnprobleem was. `Filosofie is een strijd tegen de beheksing van ons verstand door de middelen van de taal', vond hij.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat ver weg, in Nieuw-Zeeland, een Oostenrijkse filosoof te mokken over het werk van zijn beroemdere landgenoot Wittgenstein. Karl Popper had tijdens zijn verblijf aan Canterbury University College te Christchurch, The Open Society and its Enemies geschreven. Het tweede deel van dat werk bevat dertien verwijzingen naar Wittgenstein, opmerkelijk in een boek dat niets met Wittgensteins werk van doen heeft. In de betreffende passages gaat Popper vooral tekeer tegen Wittgensteins opvatting van wijsbegeerte, die naar zijn smaak veel te ver van de wetenschap afstaat.

Na de oorlog werd Popper benoemd tot lector aan de London School of Economics. Toen hij een uitnodiging kreeg om een voordracht te houden voor de Moral Sciences Club aan de Universiteit van Cambridge koos hij dan ook als titel `Bestaan er filosofische problemen?' Het werd een van de meestbesproken confrontaties uit de moderne wijsbegeerte. Wittgenstein was in die jaren hoogleraar filosofie aan dezelfde universiteit, omringd door een schare volgelingen waarmee hij een haat-liefde verhouding had. Naar verluidt was hij in discussies bot, onbeleefd, agressief, intolerant, eigengereid en onuitstaanbaar.

Dit gedrag vormde een probleem, zeker als je, zoals Wittgenstein, werd geacht bijeenkomsten voor te zitten, zoals die van de Moral Sciences Club, waar gasten van buiten de universiteit gevraagd werden te spreken.

Wat er precies gebeurde op de avond van de 25e oktober 1946 in King's College, toen Popper zijn voordracht hield, is het onderwerp van jarenlange geruchten, vooral gevoed door Popper die zijn versie van de gebeurtenissen opnam in zijn autobiografie Unended Quest (1974). Volgens Popper noemde hij in zijn voordracht een aantal filosofische problemen. Wittgenstein ontkende dat dit filosofische problemen waren. Terwijl hij sprak, speelde Wittgenstein zenuwachtig met een kachelpook die hij ook gebruikte om zijn beweringen te benadrukken. Volgens Popper vroeg Wittgenstein hem tijdens de discussie om een voorbeeld te geven van een moreel beginsel. `Gij zult gastsprekers niet bedreigen met een kachelpook', antwoordde Popper, waarop Wittgenstein de kachelpook neersmeet en de kamer verliet. Andere aanwezigen, grotendeels aanhangers van Wittgenstein, bestreden Poppers lezing.

Wenen

De vloek van Wittgenstein. Het onbesliste gevecht met Popper is het verslag van de poging van de auteurs David Edmunds en John Eidinow om uit te maken wat er nu echt gebeurd is. Ze geven eerst een uitgebreide beschrijving van de verschillende achtergrond van Popper en Wittgenstein. Beiden werden geboren in Wenen in een gezin van geassimileerde joden, beiden waren werkzaam in het onderwijs, beiden geëmigreerd naar het buitenland, beiden actief in de Angelsaksische filosofie. Maar waar de één, Wittgenstein, zich gedroeg met het zelfvertrouwen van de upper class, daar moest Popper, afkomstig uit de gegoede burgerij, de lange mars maken langs beursgevende instanties, en om referenties vragen. Toen Popper eenmaal succes had, wilde hij dat weten ook.

De beschrijving van deze twee persoonlijkheden geeft een verklaring voor de confrontatie tussen Popper en Wittgenstein, maar aan een inhoudelijke rechtvaardiging voor een van beide standpunten wagen de auteurs zich niet. Dat is jammer, want dan zou onmiddellijk blijken dat hier klein duimpje tegenover een reus stond. Popper heeft, zo blijkt opnieuw uit dit boek, de strekking van Wittgensteins werk niet begrepen. De ontwikkeling van de wijsbegeerte onderstreept dat oordeel: terwijl het werk van Popper al tot de geschiedenis van de wijsbegeerte behoort en door contemporaine filosofen zonder schadelijke gevolgen genegeerd kan worden, moet iedereen die zelfstandig wil nadenken nog altijd zijn houding ten opzichte van Wittgenstein bepalen.

Over Poppers versie van de gebeurtenissen zijn de auteurs opvallend mild en juist daardoor vernietigend. Uit Wittgensteins nagelaten geschriften blijkt dat hij tevoren op geen enkele manier bezig was met de komst van Popper. Integendeel, in het najaar van 1946 was hij geobsedeerd door zijn liefde voor een jonge medicijnenstudent. Het voorzitten van de vergadering van The Moral Sciences Club was bovendien voor hem een routineklus. Dat Wittgensteins routine bestond uit het heftig zwaaien met een pook en het uitfoeteren van de gastspreker, is vreemd voor nieuwkomers, maar voor de overige aanwezigen was het dat niet. Omdat hij wilde voorkómen dat hij de hele avond zou domineren had Wittgenstein als regel ingesteld dat hij halverwege de discussie zou vetrekken. Dat gebeurde ook deze avond. Pas daarna, herinneren zich enkele aanwezigen, vroeg één van hen Popper om een voorbeeld van een moreel beginsel te geven. Dat Popper de zaken verdraaid heeft, suggereren de schrijvers ook aan het slot van hun boek. In zijn autobiografie beschrijft Popper hoe hij de volgende dag in de trein van Cambridge terug naar Londen twee mensen hoorde praten over The Open Society and its Enemies, naar aanleiding van een bespreking in een links blaadje. De auteurs hebben gezocht naar dit blaadje, maar het niet kunnen vinden.

De vloek van Wittgenstein biedt een aardig biografisch overzicht van de twee filosofen, maar erg veel nieuws bevat het niet. Het is jammer dat ook deze auteurs niets over het gedachtengoed van Wittgenstein schrijven. Voor wie kennis wil nemen van het werk heeft Bert Keizer onlangs Ludwig Wittgenstein. Taal de dwalende gids gepubliceerd, een boek `geschreven door een liefhebber, geen kenner, in de hoop andere potentiële liefhebbers over de drempel heen te helpen.' Keizer, verpleeghuisarts en auteur van Het refrein is Hein. Leven en sterven in een verpleeghuis, heeft zijn boek in zeven hoofdstukken verdeeld, waarin hij alternerend in chronologische volgorde Wittgensteins leven en werk bespreekt. Aardig is dat een bespreking is opgenomen van Over zekerheid, een in Nederland enigszins veronachtzaamd boek, waaraan Wittgenstein gedurende de laatste twee jaar van zijn leven gewerkt heeft.

Vrijblijvend

Keizers boek heeft een dubbel karakter. Hij wil de beginnende lezer hulp bieden `en dan liefst niet vanuit hogere academische sferen aangereikt maar vanaf de begane grond overhandigd'. Dit suggereert dat hij zelf het werk goed begrijpt, want anders kun je het niet helder uitleggen. Maar deze suggestie gaat hem te ver. Hij schrijft: `Ik ben blij als ik er iets van begrijp [...]'. Deze opmerking is wellicht bedoeld om kritiek bij voorbaat te pareren, maar dreigt dit boek tegelijkertijd te degraderen tot een vrijblijvend werkje. Je mag van een auteur immers verwachten dat hij zijn uiterste best heeft gedaan om Wittgenstein eerst te begrijpen.

Deze twijfel wordt ook gevoed door de ondertitel, Taal, de dwalende gids. Als Wittgenstein zijn levenlang één opvatting trouw is gebleven, dan is het wel de gedachte dat de omgangstaal in orde is en dus niet `dwaalt'. In zijn eerste hoofdwerk, de Tractatus Logico-Philosophicus, schrijft hij: `Alle zinnen van onze omgangstaal zijn feitelijk, zoals ze zijn, logisch volmaakt op orde.' In zijn tweede hoofdwerk, de Filosofische Onderzoekingen, luidt het: `Het is duidelijk dat iedere zin van onze taal in orde is, zoals die is.'

`Ethisch goed zijn'

In het hoofdstuk over de Tractatus wordt een aantal gedachten wel zo ongeveer uitgelegd, maar te weinig precies, te onduidelijk. Wittgensteins opvatting over ethiek wordt eenvoudigweg verkeerd weergegeven. Ethische beweringen kunnen niet waar of onwaar zijn, volgens Wittgenstein, omdat zij geen standen van zaken representeren. Er bestaat in de werkelijkheid geen eigenschap `ethisch goed zijn'. In de ethiek komt het aan op je daden, niet op je woorden. Je kunt wel tonen dat je een goed mens bent, maar het niet van jezelf zeggen. Het is een raadsel hoe Keizer kan schrijven dat volgens Wittgenstein ethische uitspraken `absoluut dwingend zijn', maar hij doet het.

Het hoofdstuk over de Filosofische Onderzoekingen, Wittgensteins tweede hoofdwerk, is nog slordiger. Keizer merkt op dat Wittgenstein graag beide hoofdwerken in één boek zou hebben uitgegeven: `Voor zover ik weet is nog nooit een uitgever op deze eenvoudige en betekenisvolle wens van Wittgenstein ingegaan.'

Kon men aanvankelijk nog spreken van vrijblijvendheid, na deze opmerking moet het oordeel toch wat strenger luiden. In 1984 verscheen het verzameld werk van Wittgenstein in het Duits. Deel één bevat zowel de Tractatus, de Dagboeken 1914-1916 als de Filosofische Onderzoekingen. Blijkbaar heeft Keizer een boek over Wittgenstein geschreven zonder diens verzameld werk in de oorspronkelijke taal te raadplegen.

Wie na deze vaststelling het boek weglegt, wordt door Keizer echter nog steeds aangemoedigd. In het voorwoord schrijft hij: `Ik heb het echt helemaal goed gedaan, als u halverwege mijn uiteenzetting zegt: nou bedankt, ik lees hem verder zelf wel.' Wat mist iemand die het boek weglegt? In ieder geval niet een bespreking van het volgen van een regel of van de privé-taal redenering, twee cruciale onderwerpen voor een goed begrip van de Filosofische Onderzoekingen. Wel zinnen als `[hij] werd er zelfs zelfmoorderig' of `Vind ik toch nog een beetje interpreteerderig.' Het voornaamste bezwaar van dit boek is echter niet de stijl, maar het feit dat Keizer niet duidelijk maakt welke problemen Wittgenstein probeerde op te lossen. Je hoeft geen kenner te zijn om in te zien dat je dan geen enkele `potentiële liefhebber over de drempel helpt'.

David Edmonds en John Eidinow: De vloek van Wittgenstein. Het onbesliste gevecht met Karl Popper. Ambo, 240 blz. ƒ49,90 Bert Keizer: Ludwig Wittgenstein. Taal, de dwalende gids. Sun, 160 blz. ƒ29,50

    • Menno Lievers