Volgende klus: Rijksmuseum

Het Spaanse architectenduo Cruz en Ortiz gaat het Rijksmuseum in Amsterdam vernieuwen. In eigen land zijn ze bekend door hun moderne, functionele ontwerpen zoals het Olympisch stadion van Madrid: `Wij zijn patio-specialisten .'

Een anoniem geveltje in een smalle, naar sinaasappelbloesem geurende straat achter de Plaza de Toros in Sevilla. Van buiten wijst niets erop dat zich achter deze gevel het architectenbureau Cruz en Ortiz bevindt, dat de opdracht heeft gekregen een van Nederlands bekendste gebouwen te vernieuwen. Eenmaal binnen blijkt het pand een verrassend aantal werkruimtes en lichtpatio's te bevatten. Je vindt veel van dit soort gebouwen in de Sevillaanse binnenstad. Huizen met betrekkelijk nietszeggende façades die een verrassende hoeveelheid ruimtes herbergen rond koele, plantenrijke patio's.

De architecten tonen zich vereerd. Antonio Ortiz: ,,Het is een zeer prestigieuze opdracht.'' Antonio Cruz: ,,Nederland heeft een zeer open blik op architecten.'' Beginnende vijftigers, bescheiden formulerend in een nauwelijks merkbaar Sevillaans accent. In de jaren zestig studeerden ze samen architectuur, eerst in Sevilla, vervolgens in Madrid. Rafael Moneo, de winnaar van de Pritzker prijs voor de architectuur in 1996, was daar hun leermeester die hen de modernistische beginselen bijbracht. Na hun studie zouden ze onafgebroken samenwerken. Het architectenduo beschrijft hun samenwerking als een ideaal huwelijk. Een taakverdeling is er niet, beiden zijn onderling uitwisselbaar met uitzondering van de woordvoering, die doorgaans door Cruz wordt verricht.

De toekenning van de opdracht valt te beschouwen als een erkenning van de Spaanse moderne architectuur. De eeuwen van culturele afzondering bezorgden het land een reputatie van creatieve nabootsers van wat elders werd ontworpen. Maar architecten als Santiago Calatrava, Ricardo Bofill, Juan Navarro Baldeweg of Rafael Moneo zette Spanje de laatste dertig jaar weer op de kaart. De namen Cruz & Ortiz zullen in Nederland evenwel niet direct algemene herkenning oproepen. Het architectenduo dong tevergeefs naar de opdracht voor een nieuwe brug over de Maas in Maastricht en bouwt thans in diezelfde stad op het Ceramique-terrein. Een huizenblok op het Amsterdamse Java-eiland is inmiddels voltooid. Helemaal naar tevredenheid verliep dit project overigens niet. Dat Nederlanders liever balkons op het zuiden dan op het noorden hebben in plaats van andersom was nog wel te accepteren, maar aan de afwijkende normeringen van de systeembouw van de Nederlandse aannemers was het moeilijker wennen.

Sevilla is een traditionele, ietwat provinciaals ingestelde stad aan de periferie van Europa. Niet de eerste plek waaraan men denkt als vestigingsplaats voor architecten met internationale ambities. Het is een praktische handicap, je zit ver weg, erkent Cruz. ,,Maar de noodzaak om in een grote Europese stad te wonen om deel te kunnen nemen aan het architectuurdebat bestaat met de huidige communicatietechnieken niet meer. Er zijn ook architecten die werken vanuit Porto en Basel.''

Hogesnelheidstrein

Het is juist de nieuwe toegangspoort van Sevilla waar Cruz & Ortiz in Spanje hun faam aan ontlenen. Wie vanaf Madrid naar het zuiden wil pakt immers de Ave, de geriefelijke hogesnelheidstrein die de vijfhonderdvijftig kilometer richting Sevilla in twee uur en een kwartier overbrugt. Het Santa Justa Station in Sevilla, dat Cruz & Ortiz voor de Ave ontwierpen, bezorgt de reiziger zonder meer een prettige ontvangst. De geheel uit beton opgetrokken perrons met hun ovale overkapping zijn licht en ruim. Een rolkleed brengt de passagiers naar de vertrekhal, die boven het spoor ligt. Een glazen wand biedt uitzicht op het spoor. Ondanks het ruimtelijke effect van de monumentale oppervlaktes, de hoge plafonds en de strakke vormgeving straalt het geheel een warme atmosfeer uit, zonder dat een en ander al te nadrukkelijk aan de bezoeker wordt opgedrongen. Een effect dat onder meer wordt bereikt door het licht dat indirect naar binnen valt vanaf de verticale raampartijen hoog boven in de hal. De verhoudingen zijn goed gekozen, net als het materiaal. De zachtrode bakstenen muren en het grijs van de kwartsplaten uit Noorwegen op de vloer van de hal verraden een discreet oog voor detail. De zeer brede overkapping van de entree, met zijn flauw ovalen dak, onderstreept nog eens het gevoel dat er gul is omgesprongen met de ruimte.

Al direct vanaf de opening in 1991 wist het Santa Justa Station de Sevillanen te bekoren, en dat mag een bescheiden wonder heten. Want de hoofdstad van Andalusië mocht zich met de wereldtentoonstelling in 1992 dan even het mondiale middelpunt wanen, Sevillanen staan niet bekend als liefhebbers van moderne, functionele architectuur zoals deze door Cruz & Ortiz wordt bedreven. Het was een gebouw van grote omvang, dat zijn stempel drukte op de omgeving. De strakke vormgeving vormde bovendien een fel contrast met de bonte collectie nieuwbouw die zich op het terrein van de wereldtentoonstelling verzamelde.

Na het Santa Justa Station is het vooral het Olympisch atletiekstadion in Madrid dat in 1994 werd voltooid waarmee Cruz & Ortiz definitief hun naam vestigden. Het stadion staat beter bekend als La Peineta, naar de sierkam die traditioneel ingestelde Spaansen graag in hun haar steken tijdens feestelijke gelegenheden. Wie over de rondweg M-40 rond Madrid rijdt begrijpt waarom. De onoverdekte tribunepartij van het stadion trekt onmiddellijk de aandacht in het onbestemde landschap van de voorstad, met zijn industrieterreinen, nieuwbouwwijken en verkeersknooppunten. Het lijkt alsof een reusachtige, ellipsvormige vliegende schotel uit de lucht is komen vallen, zich schuin in de grond heeft geboord en daar is blijven liggen.

De architecten gaven met hun Peineta een visitekaartje af als pragmatische probleemoplossers die bruikbaarheid, techniek en vormgeving handig wisten te benutten in een verder schrale omgeving. De huidige tribunes beslaan met 20.000 zitplaatsen maar ongeveer een derde van de ovale ruimte rond het sportveld, maar kunnen desgewenst worden uitgebouwd tot een volledig stadion. Omdat de zitplaatsen aan de zuidoostelijke zijde zijn opgetrokken is een overkapping overbodig, aangezien de zon in het middaguur achter de tribunes zakt. Zo ontstond de ovale schijf in het landschap. Onder het hellende vlak blijkt zich een verrassende hoeveelheid ruimte te bevinden, die onderdak biedt aan een honderd meter atletiekbaan, kleedkamers, een aantal sportscholen, kantoren van sportverenigingen en een klimmuur voor bergsporters.

De kleedkamers liggen misschien wat ver van het buitenveld, maar voor het overige toont stadionmanager Angel Cuitat zich meer dan tevreden met zijn Peineta. De totale capaciteit van het stadion wordt voor de atletiekwedstrijden vrijwel nooit benut, zelf ziet hij het ook liever op de televisie. Maar het stadion bleek moeiteloos de mensenmassa te kunnen verwerken die op kwam dagen bij de concerten van Bruce Springsteen en The Back Street Boys. De waterinstallaties, airconditioning en andere technieken benutten slechts een fractie van hun capaciteit. Het stadion is immers ingericht om het middelpunt te kunnen worden van een volledig Olympisch sportterrein. Madrid is van plan mee te dingen naar de kandidatuur voor de Spelen van 2012. Honderdveertig hectare aan omliggende terreinen rond het stadion liggen klaar om gebruikt te worden, zegt Cuitat in zijn ruime kantoor. Glazen wanden bieden uitzicht op een ruim bemeten patio die door de architecten werd beplant met ligusterboompjes. Een mooie bouwkundige vondst, die binnenplaats, meent Cuitat. De stadionmanager heeft er inmiddels een collectie eigen planten neergezet en overweegt het inrichten van een Japanse tuin.

De Peinata in Madrid en het Santa Justa-station in Sevilla vormden de opmaat tot meer grote opdrachten. Een busstation in Huelva, de nieuwe gemeentebibliotheek van Sevilla en het Spaanse paviljoen voor de Wereldtentoonstelling in Hannover. Minder gelukkig was het lot van het nieuwe Olympisch stadion in Sevilla, dat in 1999 werd opgeleverd. Buiten de stad, aan de rand van het voormalige terrein van de Wereldexpositie, staat het stadion als een machtig blok beton in het landschap. Hier geen sierlijk vormgegeven tribunes, maar een rechttoe-rechtaan ontwerp, waarvan de rechthoekigheid nog eens versterkt wordt door de kantoorgebouwen en het hotel die op de hoekpunten zijn geplaatst.Het is een duidelijk functioneel statement tegen de bonte kermis van architectuur op het naastgelegen Expo-terrein. De voornaamste architectonische vondst bestaat uit een enorm raam dat bedoeld was om uitzicht op de stad te bieden. Maar wie vanaf de tribunes het raam uit kijkt ziet daar niet de stad, maar uitgerekend het schreeuwerige Expo-terrein waar de architecten zo nadrukkelijk afstand van wilde nemen. Sevilla op zijn beurt vond het uitzicht op het stadion weer niets. Te groot, te zakelijk, rare plek. Tot overmaat van ramp bleek er weinig gebruik van het stadion te worden gemaakt, viel de financiering in duigen en kregen de eigenaars onderling ruzie.

Grootscheepse nieuwe concepten van totaalarchitectuur zal men vergeefs zoeken bij Cruz & Ortiz. Geen Rem Koolhaas? Het geoliede betoog van Antonio Cruz valt terstond stil. ,,Nee, wij zijn geen Koolhaas'', klinkt het na enig aandringen en wat ongemakkelijke glimlachjes. ,,Zijn reflecties over architectuur zijn briljant en zeer interessant. Onze manier om over architectuur na te denken is het te beoefenen. Onze theorieën vind je terug in ons werk.''

Wat verbouwingen betreft maakte het architectenduo in de jaren tachtig op bescheiden schaal naam met ontwerpen die werden geroemd om hun soepele inpassing in bestaande siuaties. In 1989 werd een expositieruimte voltooid binnen de Candelaria, een achttiende-eeuwse zeewering in het oude deel van Cadiz. Daarbij werd een aantal wandelgalerijen van beton en marmer opgezet die de bestaande gebouwen met elkaar verbonden. Net als bij de verbouwing van het gemeentearchief in Sevilla, voltooid in 1985, ging het daarbij vooral om het vinden van functionele oplossingen, waarbij nieuwe vormgeving moest worden toegepast in oude gebouwen. Beide opdrachten lijken sterk op die van het Rijksmuseum.

Rijksmuseum

Het Rijksmuseum kampt met twee problemen, vertelt Antonio Ortiz. Het eerste is het danig gegroeide bezoekersaantal, waarop het oorspronkelijke ontwerp van Pieter Cuypers niet berekend is. Het tweede probleem is dat de negentiende-eeuwse museumbezoeker, die tevreden was met het rondwandelen tussen een collectie kunstwerken, is verdwenen. De hedendaagse museumconsument wil verwend worden met ontvangstruimtes, conferentiezalen en een goed geëquipeerd restaurant waar de moede leden kunnen uitrusten. Bij vertrek moet er worden geshopt in de museumwinkel met catalogi, boeken, posters, T-shirts en Nachtwachtmokken.

Patio's bieden de oplossing. De binnenplaatsen waren een van de meest fundamentele onderdelen van het ontwerp van Cuypers, maar ze zijn langzaam dichtgeslibd waardoor het gebouw er enorm op is achteruitgegaan, menen de architecten. Door de binnenplaatsen open te breken, uit te graven en benedengronds met elkaar te verbinden, ontstaat een nieuwe ontvangsthal op een lager niveau, en verdwijnt de scheiding die nu door het gebouw loopt. Een kolfje naar de hand van het Sevillaanse duo. ,,De patio's krijgen hun karakter van patio's terug. Het is een van de grootste uitvindingen in de architectuur'', verklaart Cruz. ,,Wij zijn specialisten in patio's.''

Dat lijkt niets te veel gezegd, zo leert een bezoekje aan de eersteling van het architectenduo, een appartementenblok uit 1976 aan de Doña María Coronel straat 26 in Sevilla. Op een grillig stukje grond moest een complex worden neergezet dat volgens de bouwkundige richtlijnen van de stad een flinke patio moest bezitten achter een krappe voorgevel. Het was een puzzel waarbij een modernistisch ontwerp moest worden geleverd dat paste binnen alle beperkingen van een historisch stadscentrum. De redding werd een niervormige binnenplaats die de drie appartementendelen van het gebouw keurig met elkaar verbindt tot een bouwkundige eenheid. Tot op de dag van vandaag is het een van de favoriete onderwerpen van het duo.

Het hernieuwd gebruik van de patio's van het Rijksmuseum is een herwaardering het ontwerp van Cuypers. Zonder daar al te nadrukkelijk hun stempel op te drukken, aldus de architecten. ,,Wij hebben geen behoefte om zelf te schitteren, we staan ten dienste van Cuypers'', verklaart Cruz. Of zij het in 1885 opgeleverde ontwerp van Cuypers ook mooi vinden doet daarbij minder ter zake. De neorenaissance-stijl met zijn citaten van de kerkbouw hoort bij de late negentiende eeuw, maar is nu ook weer niet een groot juweel te noemen, vindt Cruz. In hun ontwerp krijgt iedere patio een afzonderlijk vormgegeven dakkoepel waar het licht doorheen valt. Ruiten in de boogmuren van de overkapte doorgang moeten het idee van licht en ruimte verder versterken. Zo op het eerste oog een aantrekkelijke verbetering voor het deprimerend staaltje katholieke utiliteitsbouw van Cuypers' gothische kunsttempel.

Blijft de brandende kwestie van de doorgang onder het museum voor fietsers. De Hollandse polemiek is in Sevilla niet onopgemerkt gebleven. De verlaging van de ontvangstruimte biedt ook hier een oplossing voor. ,,De fietsers kunnen erdoor'', verklaart Cruz beleefd glimlachend. ,,Het is een architectonische optie die wij bieden, geen verplichting. Misschien wordt de doorgang 's avonds of tijdens grote drukte afgesloten. Maar het besluit daarover wordt niet door ons genomen.''

    • Steven Adolf