Verboden te twijfelen

De Arabische wereld kampt met het trauma van een roemrijk verleden en een heden dat maar niet spoort met de moderne tijd. De Arabist Kurpershoek werpt een verfrissende, politiek incorrecte blik op de Arabische dilemma's.

Nog niet zo lang geleden ventileerden Arabisten hun wijsheid in een klein en afgeschermd nisje van de samenleving. Zij beschreven in zo onhelder mogelijke wetenschapstaal mini-ontwikkelingen uit een grijs verleden. Voor de contemporaine gebeurtenissen haalden de meesten hun neus op.

Vanaf de jaren zeventig kwam daarin verandering. Steeds meer Arabisten toonden belangstelling voor meer eigentijdse sociale en politieke gebeurtenissen in diverse Arabische samenlevingen. Maar omdat zij – modern en vooral politiek correct als ze waren – het als hun taak zagen `begrip' te kweken, wierpen zij zich vaak op tot verdedigers van die samenlevingen. Vandaar dat de meeste Arabisten, hoe ongelovig of sceptisch zelf ook, het niet in hun hoofd haalden om ook maar één kritisch woord over de islam of over Arabische dictaturen op papier te zetten.

Marcel Kurpershoek was daarop al vroeg een uitzondering. Omdat hij eigenlijk liever journalist was geweest dan diplomaat bij Buitenlandse Zaken, schreef hij – aanvankelijk onder pseudoniem – in weekbladen over zijn ervaringen. Een paar van zijn artikelen en een aantal lezingen van de afgelopen tien jaar heeft hij nu gebundeld. En hoewel verzamelbundels bijna altijd ratjetoes zijn, steekt deze collectie, qua originaliteit, uit boven de gangbare.

Want hier is nu eens geen politiek correcte Arabist aan het woord die weigert tussen de kool en de geit te kiezen, maar iemand die probeert om de lezer met de Arabisch-islamitische werkelijkheid te confronteren en dat ook nog in begrijpelijke taal doet. Bovendien heeft hij wetenswaardige dingen te melden – met name over het pan-Arabisme en de positie van de vrouw in de islam. Dat zijn belangwekkende onderwerpen, temeer omdat de Westerse, zich multicultureel noemende samenleving onder zoveel modieuze nonsens over de Arabische wereld en de islam wordt bedolven. Tenslotte is Kurpershoek bereid om tot op zekere hoogte heilige huisjes af te breken – ook die waarin hij vroeger zelf woonde, zoals hij impliciet toegeeft, als hij het heeft over de volstrekt overspannen verwachtingen die over de toekomst van de Arabische wereld bestonden toen hij begon met zijn studie.

Kruisvaarders

Kurpershoek constateert dat wie een Arabische identiteit aanhangt, een islamitische op de koop toe krijgt. Bezoekers van de Arabische wereld weten hoe correct die uitspraak is. De twee identiteiten zijn zo met elkaar vervlochten dat de meeste Arabieren in Noord-Afrika en de Golfstaten geen flauw idee hebben dat er authentieke Arabieren bestaan die al lang vóór de islam christenen waren – en bleven – en niet door de vervloekte kruisvaarders met geweld waren bekeerd.

De verstrengeling van godsdienst en taal (en daarmee meteen ook van de Arabische identiteit) is een dogma dat zelfs door minder gelovige moslim-Arabieren wordt beleden. In een land als Egypte mogen Kopten geen Arabisch onderwijzen omdat alleen échte gelovigen, die de Koran uit hun hoofd hebben geleerd, die taal voldoende zouden beheersen. Eigenlijk logisch als men bedenkt dat volgens de traditioneel-islamitische zienswijze de Koran reeds lang vóór de Profeet bestond, geschreven op een tablet in de hemel bij God.

In overeenstemming met die gedachte brachten joden en christenen een vervalste versie van Gods woord op aarde – wat God bepaald niet behaagde.

Hoe nauw het Arabisch en de Koran met elkaar zijn verbonden, blijkt – zo schrijft Kurpershoek – uit hetgeen in het Paradijs gebeurde. Daar werd Adam door God onderricht in de Arabische namen van de dingen. Met andere woorden: Adam was een Arabier, zoals Jezus Christus volgens Arafat een Palestijn was.

Het belangrijkste stuk is het openingsverhaal `Wie luidt de doodsklok over de Arabieren? De titel stamt van een van de meest fascinerende moderne Arabische dichters, Nizzar Kabbaani, een Syriër die zijn geboorteland ontvluchtte. Zoals zoveel intellectuelen in het Midden-Oosten, geloofde ook hij heilig in de bevrijdende kracht van het pan-Arabisme en het Arabisch nationalisme, die de verstikkende macht van de islam op afstand zouden houden en de Arabieren ten aanzien van het Westen weer sterk zouden maken.

Maar Kaabani kwam, zoals zoveel van zijn generatiegenoten, bedrogen uit en schreef daarover een beroemd geworden gedicht:

Vijftig jaar reeds volg ik de toestand van

de Arabieren:

Hoe zij donderen, zonder ooit regen te

brengen;

Hoe zij zich in oorlog storten, zonder

eruit te komen;

Hoe zij het leer van de retoriek kauwen,

zonder het te verteren

[...]

Na vijftig jaar wil ik noteren wat ik heb

ervaren:

Ik zag volkeren leven in de opvatting

Dat de geheime dienst er is van godswege,

Zoals hoofdpijn, verkoudheid,

kamelenschurft.

Ik zag het arabisme publiekelijk

uitgestald,

Aangeboden op een veiling van oud

meubilair,

Maar de Arabieren, nee, die heb ik niet

gezien.

Kurpershoek heeft meer dichtregels van Kaabani vertaald – en alleen daarom al is de bundel zo zinvol. Want Kaabani vertolkt als geen ander de gevoelens van zeer veel Arabieren, die onder de mantel van afgedwongen gehoorzaamheid en van bovenaf opgelegde slogans en clichés, gewatteerd met vleierij aan het adres van de machthebbers, diep gefrustreerd zijn over de onrechtvaardigheid van hun eigen samenleving en over het feit dat zij nog steeds niet vereend zijn en zo sterk als God had bedoeld. Die frustraties hebben verreikende gevolgen – voor de Arabieren, hun buren en de rest van de wereld.

Doodsvijand

Al die niet-vervulde beloften, die niettemin steeds opnieuw worden herhaald, hebben ertoe geleid dat het arabisme, vroeger de doodsvijand van het islamisme, nu op bijna alle fronten de bondgenoot is geworden van de radicaal-fundamentalistische islamisten, die een even onuitvoerbare droom koesteren – namelijk dat zij met overreding en geweld een rechtvaardige maatschappij op aarde kunnen scheppen, conform hun uitleg van Gods geboden. Dat de dromen van de pan-Arabisten en de islamisten maar niet uitkomen, wordt algemeen toegeschreven aan een gigantisch complot, geleid door de joden, de Amerikanen, de communisten en/of de vrijmetselaars. Zo is men niet verantwoordelijk voor hetgeen men zelf doet of nalaat, aangezien men alleen de opdrachten van zijn vader, God of de leider uitvoert. De andere kant van de medaille is dat zo'n samenleving geconfronteerd wordt met een steeds kaler wordend cultureel landschap en de moderne tijd maar niet binnenstapt.

Veel Arabieren die in vrijheid hun eigen ideeën willen vormen, zijn intussen naar het Westen verhuisd. Egypte, vijftig jaar geleden het intellectuele centrum van de Arabische wereld waar opposanten naar toe trokken en nieuwe ideeën ontwikkelden, is nu een eenheidsworst, waar originaliteit als gevaarlijk voor de samenleving wordt gezien. Egyptes tegenpool, Irak, vroeger eveneens een zeer belangrijk cultureel centrum, is veranderd in een woestijn waar de portretschilders van Saddam Hussein de toon zetten. Wie interessante Arabieren wil ontmoeten, treft ze aan in Engeland, Frankrijk, de VS, in München, Delft en in Amsterdam.

Toch ontsnapt ook Kurpershoek niet helemaal aan de modieuze ideeën die nu zo'n jaar of twintig bij de ontevreden Arabische intellectuele elite leven. Hij schrijft: `Naar mijn mening is het gebrek aan democratie en het ontbreken van een publiek debat de grootste zwakte van de Arabieren.'

Was het maar zo eenvoudig: de impasse gaat veel verder dan dat. Want ook al mogen de Arabische leiders nog zo machtshongerig zijn, zij houden niet in hun eentje de democratie tegen, maar worden in feite gesteund door hun opponenten die geen echte alternatieven bieden. En de oorzaak daarvan is dat de Arabische samenleving nog steeds niet de weg heeft gevonden naar privé-onderzoek, de basis voor elk fundamenteel publiek debat. Dat individuele onderzoek, in Europa bekend als le retour aux textes, betekent dat men niet in groepsverband denkt en handelt, maar zélf nagaat of alles wat als goddelijk wordt voorgeschoteld inderdaad wel zo is opgetekend en daarmee de enige waarheid is.

Drama

Het drama van de Arabische wereld is dan ook niet zozeer gebrek aan democratie, maar het algemeen geldende verbod op twijfels die in een snel veranderende wereld nieuwe ideeën en wegen kunnen openstellen.

Terecht constateert Kurpershoek dat in het Midden-Oosten bijna ieder onderwerp zo omgeven is door taboes – met name seks, religie en politiek – dat mensen eerst nadenken over de risico's die zij lopen alvorens iets te zeggen. Die thema's zijn nauw verbonden. Zo stelt de Koran dat de mannen – als `opzichters over de vrouwen' – gehoorzaamheid kunnen afdwingen, desnoods met geweld. En beroemde islamitische schriftgeleerden, meldt Kurpershoek, dragen de mening uit dat de vrouw dient om `overtollig, schadelijk sperma' op te vangen. Zij moeten, volgens de profeet Mohammed, de man op elk gewenst moment, `ook al bevindt hij zich op de rug van een kameel, zijn gang laten gaan'. Wie in naam van God vrouwen tot zo'n tweederangspositie veroordeelt heeft er ook geen problemen mee om niet-moslims, niet-Arabieren en politiek andersdenkenden ondergeschikt te maken of te vervolgen.

Je kunt zulke onderdrukking onder het hoofdstuk `mensenrechten' rangschikken, maar dat betekent niet zoveel, omdat dat begrip volgens de meeste landen in de Derde Wereld een door het Westen opgelegd, neo-kolonialistisch machtsmiddel is. Veel belangrijker voor de Arabische samenlevingen is de erkenning dat men geen stap verder komt richting moderniteit met deze, misschien bij nader inzien toch niet door Gods wet gewilde praktijken.

Er valt eveneens een kanttekening te plaatsen bij Kurpershoeks opmerking over `het lijden van gewone Palestijnen, een volk dat zoals geen ander volk het slachtoffer is geworden van pogingen het van zijn menselijkheid en zijn bestaan te beroven.' De Koerden, de West-Saharanen, de Dinkas en de Nuer in Zuid-Soedan, en de Nuba in West-Soedan, om een paar volkeren in de Arabische wereld te noemen, weten wel beter.

Een klein voorbeeld: in 1983 besloten Koerdische jongeren in Noord-Irak het Palestijnse voorbeeld te volgen en eveneens op straat te demonstreren. Die intifada duurde heel kort: binnen enkele dagen werden 1.500 jongens door de geheime politie opgepakt en vrijwel zeker vermoord. Tot nu toe is over hun lot niets bekend.

Maar dat zijn kleine uitglijders. Want wat Kurpershoek voor de rest heeft geschreven, laat bovendien zien dat ook een liefhebber van de Arabische wereld en haar bewoners, zoals hij zichzelf noemt, in staat is die Arabische wereld kritisch tegemoet te treden.

Marcel Kurpershoek: Wie luidt de doodsklok over de Arabieren? Meulenhoff, 192 blz. ƒ34,50 (pbk)