Van God op weg naar Dolly

Waarom wordt een boek als Van wijsheid tot schoonheid nu nooit in Nederland gemaakt? De media melden voortdurend nieuwe ontwikkelingen in de biologie maar een filosofisch debat over hun vérstrekkende gevolgen voor mensbeeld en moraal komt hier zelden van de grond. Commentatoren en columnisten hebben over tal van onderwerpen een opinie klaar, maar wie is in staat die opinie te verbinden met de grote vraagstukken van de westerse filosofie? Nee, voor een stoutmoedige poging om streng te redeneren en toch actueel te zijn, om zich in filosofische klassieken te verdiepen maar evengoed in modern biologisch onderzoek moet men kennelijk in Frankrijk zijn.

Het boek valt in drie delen uiteen. Het eerste deel behandelt de eigenlijke vraagstelling. Hoe moeten wij vandaag de dag onze verhouding tot de natuur opvatten? Is de mens wezenlijk anders dan het dier of gaat het om een geleidelijke overgang? Worden wij gedicteerd door onze biologie en komt onze vrijheid op een illusie neer? Of is die vrijheid specifiek menselijk en impliceert zij juist een breuk met de natuur?

Het zijn klassieke vragen, die door de moderne biologie weer actueel geworden zijn. Met de evolutieleer is de plaats van de mens temidden van andere levende wezens herzien, de genetici tonen het belang van erfelijke factoren aan en het hersenonderzoek overbrugt langzaam maar zeker de kloof tussen lichaam en geest. Dit soort inzichten geeft het materialistisch mensbeeld een nieuwe actualiteit. Het vindt in André Comte-Sponville dan ook een prima pleitbezorger. Luc Ferry verdedigt daarentegen een idealistische filosofie waarin hij de natuur uiteraard niet ontkent maar wel een radicaal verschil tussen ons geestelijk en lichamelijk bestaan poneert.

Het tweede deel handelt over de spirituele en morele gevolgen van dit debat. Ervan uitgaande dat God niet meer leeft en dat het theologische tijdvak achter ons ligt, vragen beide filosofen zich af wat een hedendaagse ethiek zou kunnen zijn. In praktische zin komen ze dicht bij elkaar, maar hun argumentatie loopt uiteen. Comte-Sponville kiest voor mededogen met alle levende wezens, voor innerlijke vrede en voor het aanvaarden van de wereld zoals die is. Daartoe beroept hij zich niet alleen op het boeddhisme maar ook op denkers als Epicurus, Montesquieu en vooral Spinoza. Hij wenst trouw te blijven aan de traditie van christelijke naastenliefde maar wil die verzoenen met een naturalistische filosofie.

Ferry komt evengoed bij de naastenliefde uit maar bewandelt een andere weg. Hij stelt dat het sacrale in onze geseculariseerde cultuur niet is verdwenen, maar een gedaanteverwisseling heeft ondergaan. Het goddelijke bevindt zich niet langer in een bovennatuurlijke sfeer maar bij mensen die elkaar helpen. Artsen zonder grenzen en andere humanitaire initiatieven zijn daarvan een belichaming. Aldus zou de vermenselijking van het goddelijke (secularisatie) samengaan met een sacralisatie van het menselijke (humanisme).

Massamedia

Tenslotte handelt het derde deel over meer actuele vragen van cultuur en maatschappij. Zaken die aan de orde komen zijn het failliet van de hedendaagse beeldende kunst en het onbenullige karakter van de massamedia. Verder wordt het rehabiliteren van de politieke strijd als een `dringende noodzaak' beschouwd. Men wil het rechtse extremisme bestrijden en betreurt dat er geen echte linkse beweging meer is. Het geheel wordt besloten met een reflectie op het belang van de hedendaagse filosofie.

Van wijsheid naar schoonheid is in meer opzichten een adembenemend boek. Vanwege zijn hemelbestormende problematiek, maar ook door het woordgebruik van de auteurs en het aantal pagina's dat ze nodig hebben. Maar ze zijn wel érg op hun eigen woorden, op elkaars woorden en op elkaar gesteld. Het boek kwam voort uit een academisch `seminaire' waarbij Ferry en Comte-Sponville als inleider optraden om vervolgens met elkaar en een twintigtal bevriende aanwezigen in debat te gaan. Hun boek mist dan ook de zakelijke toon waarop wij in Nederland het academische debat voeren. Het wemelt er van passages waarbij men elkaar veel lof toezwaait en kritiek met nodige hoffelijkheid omgeeft. Op den duur wordt dat wat klef. Bovendien is het boek met 568 bladzijden véél te lang. Daarmee zal het de vooroordelen tegen een Franse hang naar eruditie en esprit zeker niet ontzenuwen.

Materialisme

Ernstiger zijn de moeilijkheden die ik met de inhoud van het betoogde heb. Zo schieten de auteurs tekort in het consequent uitwerken van hun filosofisch uitgangspunt. André Comte-Sponville hangt het materialisme aan, maar als hij later over liefde spreekt gaat het vooral over de geestelijke en gesublimeerde vormen ervan. Over christelijke naastenliefde en boeddhistische compassie wordt het nodige gezegd, maar de seksualiteit komt in het boek nauwelijks aan bod. En daarmee bedoel ik niet alleen de lichamelijke lust maar ook het vraagstuk van de voortplanting, de verschillen tussen man en vrouw en de zorg voor kinderen. Terwijl dat uitgerekend onderwerpen zijn waarin wij op de menselijke natuur stuiten.

Een ander voorbeeld is het pleidooi voor een rehabilitatie van de politiek, waarbij niet wordt gerept over zaken als globalisering, Europese integratie en andere processen die de speelruimte van een nationale politiek aantasten. Zo laat Comte-Sponville zijn verdediging van het materialisme halverwege in de steek.

Opmerkelijk genoeg geldt hetzelfde voor de verdediging van het idealisme door Luc Ferry. Hij illustreert zijn these over de vergoddelijking van de mens met de geschiedenis van de westerse filosofie. Vanaf Descartes kwam deze neer op een secularisatie van het theologische denken. De filosofie van Hegel was een poging om de christelijke waarden zodanig te formuleren dat ze aanvaardbaar werden voor niet-gelovigen. Zelfs het denken van Nietzsche en Heidegger zou men op die wijze kunnen zien: als radicale pogingen te breken met een bovennatuurlijke opvatting van het goddelijke en een streven om waarheid en heil terug te brengen naar een aards niveau.

Aldus zou het goddelijke in de loop van de afgelopen eeuwen zijn afgedaald vanuit de bovennatuurlijke sfeer om uiteindelijk te incarneren in de meest letterlijke zin: de vorm aan te nemen van menselijke lichamen die aldus geheiligd zijn. Maar waarom dan niet dóórdenken en aanvaarden dat het goddelijke óók aanwezig is in de biologische dimensie van ons bestaan? Waarom dan vasthouden aan een vrijheid van de geest die zich aan de natuur onttrekt? Ik zou zeggen dat de consequentie van Ferry's secularisatie inderdaad een soort boeddhisme is waarbij men álle levende wezens met het nodige respect beziet en de mens opvat als een onderdeel van de natuur. Maar dat is het standpunt waar Ferry zich nu juist tegen verzet.

Een laatste moeilijkheid staat met het filosofische denken als zodanig in verband. De filosofie wordt in het boek omschreven als een poging om te `denken voorbij datgene wat je weet'. De filosoof tracht op strikt rationele wijze gedachten te ontwikkelen aan gene zijde van de reeds bekende inzichten. Deze werkwijze kent zowel voor- als nadelen. Een voordeel is dat men de meest scherpe vragen formuleert en radicale gezichtspunten kan innemen.

Lichaam en geest

Een nadeel is dat men zich dan gemakkelijk verwijdert van de empirische verschijnselen. Op een zeker ogenblik wijst Luc Ferry de stelling af dat ons gedrag het resultaat is van een complexe interactie tussen sociale omgeving en erfelijke natuur. Zijn bezwaar is dat je die stelling op elke willekeurige manier kunt uitleggen. Zuiver filosofisch gezien heeft hij daarmee wellicht gelijk, maar wie zich bezig houdt met een specifiek probleem zal daar anders tegen aankijken.

Dat is althans de mening waartoe ik zelf kom op grond van een onderzoek naar agressief gedrag bij jongeren. Dat gedrag ontstaat nu juist uit de wijze waarop aangeboren eigenschappen en de opvoeding op elkaar inwerken. Daarbij is de vraag naar het relatieve gewicht van beide factoren van groot belang. Met de zuiver filosofische vraag – bestaat er menselijke vrijheid ten aanzien van de natuur of niet? – kan men in het concrete onderzoek weinig aanvangen. Dan moet men denken in gradaties en complexiteit terwijl de filosofie graag in opposities en rationele argumenten denkt. Verder moet men zich verdiepen in het cultuur-historische proces dat de relatie van lichaam en geest vorm geeft.

Wat dat betreft wordt de sprong van wijsheid naar schoonheid te snel gemaakt. Bepaalde tradities gaan uit van een drieslag als `wijsheid, kracht en schoonheid'. Ze voegen zo een derde term toe en verwijzen daarmee naar de sociale krachten die op lichaam en geest inwerken. Aan dat element gaan Ferry en Comte-Sponville te gemakkelijk voorbij. Maar dat neemt niet weg dat ze de wereld met een inspirerende dialoog verrijkt hebben.

André Comte-Sponville en Luc Ferry: Van wijsheid tot schoonheid. Dialoog over tien actuele kwesties. Uit het Frans vertaald door Théo Buckinx. Lemniscaat, 576 blz. ƒ64,50

    • Gabriël van den Brink