Turkije in verval

Wat weten we van de geschiedenis van Turkije? Troepen voor de poorten van Wenen – lang geleden – en Atatürk: daar blijft het wel bij. De rest is mythe: het oriëntalisme van wreedheid en verfijning in de stijl van Duizend-en-een-nacht. Is daarachter ooit een historie schuil gegaan? Voor Europa, waartoe Turkije nu zo graag wil behoren, begon dit land waarschijnlijk pas te bestaan toen het in de jaren twintig en dertig in westers vaarwater werd gestuurd. Wat daaraan voorafging, baadt in tijdloze sprookjesachtigheid.

In zijn roman De secretaris licht de Turkse schrijver Ahmet Altan een tip van die versluierde geschiedenis op. Het boek speelt zich af in de nadagen van het Osmaanse rijk, rond de voorlaatste eeuwwisseling. In omvang, kracht en schittering is het rijk nog maar een schim van wat het ooit was. Grote delen van de Balkan en Noord-Afrika was het al kwijtgeraakt en in de gebieden die het nog wel bezette, gistte de onafhankelijkheidsdrang. Halfhartige beloften van de sultan om het bestuur te moderniseren namen de hervormingswil onder intellectuelen en officieren, verenigd in de beweging van de Jong-Turken, niet weg. Het bewind bleef even indolent als despotisch.

De secretaris eindigt met een opstand onder lagere officieren in Macedonië, terwijl in de straten van Thessaloniki juichkreten opstijgen om de herwonnen vrijheid. Dat die rijkelijk prematuur zijn, weten de twee `Jong-Turkse' hoofdpersonen van het boek, de hoffunctionaris Hikmet Bey en de officier Ragip Bey, nog niet. Pas het debacle van de Eerste Wereldoorlog, waarin Turkije de kant van Duitsland zal kiezen, maakt de weg vrij voor het afzetten van de sultan (1922) en de invoering van een republiek.

Hikmet Bey zal dat niet meer meemaken. In de laatste regels van het boek pleegt hij zelfmoord, niet uit politieke maar uit persoonlijke motieven. Hij is zojuist zijn vrouw kwijtgeraakt aan een playboy-met-snelle-auto en de ironie daarvan is voor hem onverdraaglijk. Zelf heeft hij, met zijn voorliefde voor de Franse cultuur, zijn vrouw in het decadente libertinisme van de belle époque ingewijd. Maar wanneer zij daaruit de consequenties trekt en kiest voor haar eigen lust, botst zijn hang naar bevrijding op de hare. Terwijl op straat de politieke vrijheid wordt gevierd waarvoor hij zich actief had ingezet, moet hij het binnenskamers afleggen tegen een ontluikende persoonlijke vrijheid, die pas veel later `politiek' genoemd zal worden.

In de ironie van Hikmet Bey's levenslot weerspiegelt zich de ironie van de Jong-Turken, waarvan de naam overigens nergens valt. Zij kozen voor een nieuwe maatschappij, bevrijd van tirannie (maar nog niet per se democratisch), opgestuwd door techniek en verlicht door wetenschap. Voor de militairen onder hen was niet Frankrijk, maar Duitsland met zijn superieure (oorlogs)technologie het voorbeeld. Ragip Bey, die in De secretaris voor hen model staat, loopt als officier stage bij de keurtroepen van de Kaiser en leert daar zijn snor net zo martiaal op te krullen als Wilhelm zelf. Dat hun keuze in het mondiale conflict dat kort daarna zou uitbreken ook hun eigen val zou betekenen, konden zij nog niet vermoeden. Na de Eerste Wereldoorlog zouden de Jong-Turken elke greep op de gebeurtenissen verliezen.

Altan heeft die verwarrende situatie in De secretaris boeiend weergegeven, al ontkomt ook hij niet helemaal aan oriëntalistische stereotypen. Prachtig beschrijft hij hoe Istanbul – vanaf de zee gezien betoverend en sprookjesachtig – verwaarloosd, vuil en vol bedelaars blijkt zodra zijn hoofdpersonen voet aan land zetten. Hilarisch is de situatie van de oorlogsvloot, die door geldgebrek aan de kade blijft liggen en door de bemanning is omgebouwd tot één grote kippenfokkerij, waarmee ze in hun eigen soldij voorzien. Nog troostelozer is de verwording van de staat. Met willekeurige verbanningen of erger houdt de sultan er bij zijn onderdanen de wind onder, terwijl elkaar bestrijdende louche pasja's en hun mafia-benden op straat de dienst uitmaken.

Wie wil kan De secretaris lezen als een vermomde aanklacht tegen het huidige Turkse bewind en zijn optreden tegen de Koerden. Altan schreef er enkele jaren geleden een kritisch artikel (`Atakurd') over en werd daarvoor prompt veroordeeld. De massaslachting die na de Eerste Wereldoorlog onder de Koerdische bevolking werd aangericht valt buiten het historische kader van dit boek, maar in de wijze waarop Altan het Turkse optreden tegen de Bulgaren (voor de Grote Oorlog) beschrijft zijn de huidige excessen moeiteloos te herkennen.

Van een dergelijke versluierde boodschap hoeft De secretaris het niet te hebben, net zo min als van literair raffinement. Veel interessanter is het grootse panorama van het kantelende Osmaanse rijk dat Altan met krachtige streken heeft neergezet. Na lezing weten we nog altijd niet veel van de Turkse geschiedenis, maar wel iets meer, en heeft Altan overtuigend duidelijk gemaakt dat dat hoog tijd werd.

Ahmet Altan: De secretaris. Vert. Hanneke van der Heijden. Bert Bakker. 317 blz. ƒ39,50