Nihilisme op een koopje

Nihilisme komt het hardst aan in een cultuur die nog vol overtuiging in haar eigen illusies gelooft, zoals W.F. Hermans merkte in het Nederland van de jaren vijftig en zestig. Maar hoe nu nog te verontrusten? Arnon Grunberg in het voetspoor van Erasmus op zoek naar weerstand.

Het woord `nihilisme' heeft tegenwoordig een belegen klank, het lijkt thuis te horen bij bezorgde pedagogen of met de religie worstelende wijsgeren. Het fleurt pas op als je de naam van W.F. Hermans ermee verbindt (of uiteraard die van Nietzsche, maar laat ik me tot Nederland beperken). `Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie' – aldus eindigt de schitterende novelle `Het grote medelijden' in Een wonderkind of een total loss (1967). Beter dan in deze goddeloze drieëenheid laat de motor van Hermans' schrijverschap zich niet samenvatten. Hier ligt de bron van de verschrikkelijke waarheden waarmee hij zijn publiek jarenlang placht te bestoken.

Het publiek toonde zich aanvankelijk geschokt, want het stond nog met twee benen (of anders wel met één been) in de wereld van het christendom en zijn blijde boodschap, waarmee Hermans' credo onmogelijk te rijmen viel. Toch bestond er ook een heimelijke verwantschap tussen de schrijver en zijn geschokte publiek. Ondanks de tegengestelde boodschap spraken beiden dezelfde taal. Tegen de profeten van het heil keerde Hermans zich als een anti-profeet, die verkondigde dat het heil niets voorstelt. Maar ook een antiprofeet blijft een profeet, en zelfs een verlosser. `Ze begrijpen niet dat de lege handen waarmee ik bij ze binnenkom, hen kunnen verlossen van de verschrikkelijke volte waarin zij de wereld willen laten verstikken', zegt zijn alter ego Richard Simmillion in `Het grote medelijden'.

Hermans bestreed het christendom niet met taalfilosofie of met Wittgenstein, maar met literatuur. Iets dat voor hem behoorde tot het domein van het `vage denken', zoals hij ooit in een interview heeft gezegd. Dat wil zeggen: iets dat van dezelfde orde is als de religie. Literatuur had voor hem altijd ook met mythologie te maken. Tegenover de mythe van het christelijke heil plaatste hij de mythe van het `sadistische universum', de barre wereld van moedwil en misverstand, van bedriegers en bedrogenen. Zijn meest persoonlijke versie daarvan was het `wonderkind' dat een `total loss' blijkt te zijn. Uit die ontgoocheling kwam zijn woede voor, een ongeneeslijk ressentiment tegen alles en iedereen die zijn waarheid ontkende en de dingen mooier voorstelde dan ze volgens hem in werkelijkheid waren.

Erkenning en succes waren daar niet tegen opgewassen; de deceptie bleek telkens groter. Zo hield hij de motor aan de praat, geholpen door een niet aflatende stroom van ergernissen, ook nadat het publiek het christendom en masse de rug had toegekeerd. De objecten van zijn polemische agressie werden steeds kleiner of vager (de adepten van Weinreb, de Groningse universiteit, de spellinghervormers, `Nederland'), maar de agressie bleef ongebroken. Tot in zijn laatste verhalenbundel De laatste roker (1991) toe, waarvan het titelverhaal de aanval opent op de anti-rooklobby. Vergeleken met het christendom, dat ooit de hele samenleving in zijn greep had gehad, toch een tegenstander van aanzienlijk geringer formaat.

Een nihilisme dat zijn agressie ontleent aan de zeloten die hun medeburgers het genot van een sigaretje willen ontzeggen, moet alle zeilen bijzetten om zijn scheppende kracht te behouden. Hermans schreef een aardig verhaal, maar dat ook maar iemand er aanstoot aan nam, kan niet gezegd worden. Wie zich vandaag de dag uit naam van datzelfde nihilisme tot de wereld wendt, heeft het ongetwijfeld nog een stuk moeilijker. Hoe een publiek te raken, dat bij voorbaat bereid is het hartelijk of onverschillig met hem eens te zijn, een paar verstokte christenen en nieuwe conservatieven wellicht uitgezonderd?

Zo'n hedendaagse nihilist zou bijvoorbeeld de oorlog kunnen aanprijzen als `een frisse wind', die `veel goeds en moois en nuttigs' brengt. `En net als de voorjaarsschoonmaak ruimt het lekker op'. Hij kan zich `vol walging' afkeren van `de democratie en de democraten, van de pooiers die op hun vaandel ``rechtvaardigheid' hebben geschreven terwijl daar iets heel anders had moeten staan'; democratie is immers niets anders dan `een vorm van gestroomlijnde manipulatie'. Hij kan de necrofilie bezingen onder het motto: `Seks tussen een levende en een dode is de meest ethische vorm van seks die er bestaat'. Hij kan de `hoop' en het `mededogen' belachelijk maken. Hij kan schrijven: `Veel moraal is mierzoet sentiment met geen enkel ander doel dan degene die die moraal verkondigt zich goed te doen voelen'. Hij kan het recht van de sterkste verdedigen.

En misschien, heel misschien is er iemand die, na zoveel doorzichtige provocaties te hebben gelezen, in oprechte verontwaardiging naar zijn pen grijpt om een ingezonden brief te schrijven.

Zou Arnon Grunberg (want van hem zijn alle bovenstaande citaten afkomstig) daar echt op uit zijn geweest? Ik kan me nauwelijks voorstellen dat hij zo naïef is geweest. Zo naïef is hij ook niet, want hij is het niet zelf die al deze boutades in de mond neemt, maar een naamloze advocaat die hij aan het woord laat in De mensheid zij geprezen, zíjn moderne versie van Erasmus' Lof der Zotheid.

Niet de Zotheid prijst zichzelf bij Grunberg, maar de mens. In een imaginaire rechtszitting neemt zijn advocaat de verdediging op zich van de mens. `Geen beest is zo belasterd als de mens', luidt zijn openingszin, en schuldig daaraan zijn `de azijnpissers, de halfbakken intellectuelen, de verwarde filosofen en de geperverteerde romanschrijvers', die er maar niet genoeg van kunnen krijgen de mens in een zo kwaad mogelijk daglicht te stellen. Anders dan deze perfide `getuigen' heeft hij, de advocaat, zijn `geloof' in de mens nog niet verloren.

De ironie druipt er vanaf. Meer nog dan bij Erasmus, voor wie de Zotheid uiteindelijk ook de noodzakelijke voorwaarde blijkt te zijn voor het ware geloof, dat tevoren tegen bedelmonniken, scholastiek, aflatenhandel en heiligencultus in bescherming is genomen. Grunbergs pleidooi is een nu eens flauwe dan weer geestige oefening in retoriek, waarbij grap en ernst nauwelijks van elkaar te scheiden zijn. De omkering is zijn belangrijkste stijlmiddel. En ook zijn doel: `Als ik ben uitgesproken zullen de rollen zijn omgedraaid. Ik zal bewijzen dat wat voor onschuld doorgaat net zo goed schuld kan zijn, dat veel waarheid niets dan dwaasheid is, dat men het geweten zoekt op plaatsen waar het niet is, en dat zij die beweren de waarheid te dienen de grootste verspreiders van verzinsels en leugens zijn'.

Maar alle minnen in plussen veranderen, en vice versa, geeft je nog niet de sleutel in handen tot wat hij werkelijk heeft willen zeggen. Wie naar zo'n sleutel op zoek gaat, loopt misschien zelfs een grote kans de portee van dit pleidooi te missen. Grunbergs advocaat verdedigt weliswaar de mensheid, maar stiekem is hij ook een beetje de advocaat van de duivel. Zijn pleidooi is vaak evenzeer een bevestiging van alle laster die de `azijnpissers' hebben verspreid als een weerlegging. Alleen, en dat is de kern van zijn verdediging: de schuld ligt niet bij de mens, want de mens is niet meer dan een `marionet'; de ware schuldige is de `poppenspeler'. `Deze wereld is niets dan een poppenkast voor verveelde goden'.

Het lijkt alsof we weer terug zijn bij Hermans en diens nihilistische kruistocht tegen het christendom. Niet toevallig is Hermans een van de getuigen - naast onder anderen Choderlos de Laclos (de achttiende-eeuwse schrijver van Les liaisons dangereuses), Max Frisch en Cioran — die door de advocaat met instemming worden geciteerd. Ook bij Grunberg is de mens `de eeuwig bedrogene van het universum', zoals het heet in Nooit meer slapen. En als de bedenker en regisseur van de aardse poppenkast ook nog een `sadist' wordt genoemd, dan zijn we zelfs bijna letterlijk in Hermans' `sadistische universum' terecht gekomen.

Het verschil is alleen dat Hermans nog echte gelovigen tegenover zich had, gelovigen met aanzien en macht. Met zijn nihilisme zette hij iets op het spel; het nihilisme van Grunberg, zie zijn boutades inzake oorlog en necrofilie, heeft iets gratuits. Het is nihilisme op een koopje, wat zijn advocaat trouwens vast geen bezwaar zal vinden. Volgens hem is de mens tenslotte altijd bereid tot `handel', en waarom dan te veel betaald? Ook dat lijkt me een boutade, die in zijn algemeenheid zowel waar als onwaar kan worden genoemd. Wat je er ook van vindt, het verplicht tot niets.

Iets soortgelijks geldt voor het idee van de `Grote Poppenspeler', dat Grunbergs advocaat introduceert om de mens vrij te pleiten van alle schuld. Daarmee lijkt de vrije wil van de baan, de bron van alle morele verantwoordelijkheid, die Erasmus om deze reden verdedigde tegen Luther. Halverwege aarzelt de advocaat een moment. Misschien is er toch nog enige ruimte voor `improvisatie', maar omdat de grens tussen vrijheid en onvrijheid zich onmogelijk laat vaststellen, handhaaft hij bij nader inzien zijn Grote Poppenspeler. Hoewel we geen idee hebben wie of wat die Poppenspeler is, lijkt deze hem `de meest vruchtbare waarheid over deze tragedie van vergissingen en onvermogen. Een tragedie die af en toe zwalkt naar komedie, maar die wij toch uiteindelijk met recht een tragedie kunnen noemen, want de meeste vergissingen lopen slecht af'.

Je vraagt je af waarom hij elders afgeeft op een uitdrukking als `condition humaine', want wat past er beter bij een tragedie? In elk geval niet het idee van een Grote Poppenspeler – dat idee heeft alleen zin binnen een pleidooi dat beoogt de mens vrij te pleiten van alle schuld. Maar kan er zonder schuld nog wel van een tragedie gesproken worden, behalve dan in de meest banale zin van het woord?

Laten we het erop houden dat advocaten nu eenmaal niet van schuld houden, althans niet van de schuld van hun cliënten. Liever is hun, net als Grunberg zelf, het spel, dat in het idee van de wereld als `poppenkast' zijn metafysische raison d'être vindt. Het spel dat met de mens gespeeld wordt en dat de mens kan imiteren, door zijn medemensen te manipuleren. Voor zijn persoonlijke genot, maar misschien ook nog voor iets anders. Want onder het spel zit een onmiskenbaar moralisme verborgen, net als bij Hermans. Vanwaar anders die blijkbaar niet te bedwingen drang om leugen en bedrog te ontmaskeren?

Het geeft de lof van de manipulator, die in De mensheid zij geprezen uitbundig gezongen wordt, een dubbelzinnige betekenis: `Hij gaat de concurrentie aan met de Grote Poppenspeler. Hoe zinloos het ook zal zijn, hoe slecht het ook met hem zal aflopen door deze vergissing, het is een levenshouding die ik toejuich. Alleen hij die de wereld naar zijn hand wil zetten en ermee wil spelen als met een knikker, verdient ons respect'.

In deze lofzang gaat een oratio pro domo schuil, niet zozeer van de advocaat als wel van de schrijver die (Grunberg heeft daar nooit een geheim van gemaakt) het spel – inclusief de daarin verborgen moraal of liever anti-moraal – tot de essentie van de literatuur heeft verheven. Al zijn personages zijn spelers, ook al brengen ze het niet verder dan `figuranten' en ook al spelen ze (zoals Robert G. Mehlman in Fantoompijn) uiteindelijk alleen tegen zichzelf. Het pleidooi voor de onschuld van de mens blijkt in laatste instantie een apologie van de literatuur.

Maar dan wel een literatuur die zichzelf niet onnodig opblaast. Het spel is volgens Grunbergs advocaat serieus genoeg, omdat er niet méér is dan spel. `Wie wil leven, wie zich wil begeven naar de muur waarop de logica stukloopt, moet spelen, onophoudelijk en zo goed mogelijk'. Alle begeerte, alle angst, alle haat, alle wreedheid, alle pech – ze behoren tot het spel, dat van de literatuur en van de schoonheid evengoed als dat van het leven. En ze verdienen het niet om te worden veroordeeld, want iets anders is er niet, en wie net doet alsof dat wel zo is belazert de kluit. Een vorm van bedrog die de moralist Grunberg met speels bedrog en ongeveinsde woede te lijf gaat.

Zijn nihilisme is dus in feite een uiting van vitalisme, van levenslust tegen beter weten in. Want met `het uitzinnige geloof dat we recht hebben op een goede afloop' heeft de advocaat dan al afgerekend. Het enige waar het op aankomt, kan dan de jacht op genot worden, waarvoor alles moet wijken en waarvoor, als we de advocaat mogen geloven, ook vrijwel alles is geoorloofd. Pech en tegenslag dienen zich toch wel aan, zoals Grunberg in zijn romans inmiddels afdoende heeft gedemonstreerd.

De betekenis van deze levensles wordt echter meteen gerelativeerd, wanneer de advocaat bekent, in de enige passage waarin hij zichzelf ter sprake brengt: `Dat ik hier de mens sta te bezingen in plaats van te genieten, komt doordat er bij mijn geboorte van alles is misgegaan. Ik kan wel hengelen, maar ik moet de vis altijd teruggooien. Ik kijk toe hoe anderen eten, dat is voor mij genoeg. Ik verlustig mij aan het schouwspel'.

Het is het verschil tussen de dader en de voyeur, tussen de schrijver en zijn personages. Zij betalen de prijs voor zijn inzichten, terwijl hij zichzelf verbergt achter de ongrijpbaarheid van zijn ironie. Dat zou onuitstaanbaar zijn als het niet met zoveel talent gebeurde. Hermans was een schrijver die er niet voor terugdeinsde om zo nodig het mes onbarmhartig in eigen vlees te zetten, getuige een autobiografisch verhaal als `Het grote medelijden'. Grunberg heeft dat gedaan in zijn debuut Blauwe maandagen. Maar daarna is de afstand alleen maar groter geworden, alsof de fictie het leven zou kunnen vervangen.

De advocaat lijkt zoiets ook te bepleiten: pas als we de werkelijkheid opvatten als een roman of een grote poppenkast, kunnen we het `lijden' recht in de ogen zien en onszelf leren kennen, zonder humanistische of andere ethische leugens. In een roman kunnen die gemist worden. Grunbergs eigen romans bewijzen het: ondanks, maar ook dankzij, de groteske slapstick van hun personages spreekt er een tragische beklemming uit, zorgvuldig geënsceneerd door de schrijver die, inderdaad als een Grote Poppenspeler, aan alle touwtjes trekt.

In een verzonnen pleidooi als De mensheid zij geprezen, dat pretendeert op een abstracte manier iets over het echte leven te zeggen, is dat anders. De concreetheid van de romans ontbreekt en dan zingt het nihilisme bij gebrek aan weerstand gratis en voor niets rond in een ironisch vacuüm, waar alle klappen raak zijn – of geen enkele.

Arnon Grunberg: De mensheid zij geprezen. Lof der Zotheid 2001. Athenaeum, Polak & Van Gennep. 127 blz. ƒ29,95

    • Arnold Heumakers