Nederlandse renners klimmen uit diep dal

De dagsuccessen van de Nederlandse wielrenners worden dit seizoen sterk uitvergroot. Vergeleken met de jaren zeventig en tachtig zijn de prestaties aan de magere kant. Ook al wint een Nederlander morgenmiddag de Goldrace.

De Amstel Goldrace is een nationaal wielerfeest, als we de 36-jarige historie van deze wielerklassieker in ogenschouw nemen. Bijna de helft van de overwinningen ging naar een Nederlandse renner. De Goldrace markeert ook de neergang en de opmars van de Nederlandse wielersport. Frans Maassen won in 1991. Michael Boogerd won in 1999. In de tussentijd was de eendaagse profwedstrijd in Zuid-Limburg het strijdtoneel voor Deense, Zwitserse en Italiaanse coryfeeën.

In buitenlandse koersen was het in de middenjaren negentig nog veel slechter gesteld met de Nederlandse wielerprestaties. In de grote klassiekers was het aan de finish vaak lang wachten op de eerste landgenoot. De buitenlandse winnaar had de dopingcontrole dan meestal al achter de rug. Nederland was wel een fietsland, maar geen wielernatie, toonden de statistieken. Het aantal licentiehouders daalde en het aantal profploegen werd twee keer gehalveerd.

In de Tour de France waren alle ogen gericht op sprinter Jeroen Blijlevens, die het gebrek aan goede klimmers, tijdrijders en solorijders moest camoufleren. De vijfde plaats van Boogerd in de Tour van 1998 werd in sommige media als een heldendaad afgeschilderd. In werkelijkheid profiteerde hij van de dopingaffaire die het vroegtijdige vertrek van een handvol buitenlandse favorieten tot gevolg had.

En toch vormen Boogerd en Blijlevens de verpersoonlijking van eerherstel. Heel langzaam klimt de Nederlandse wielersport uit een diep dal. De tussenlichting van de huidige dertigers Erik Dekker, Servais Knaven, Bart Voskamp, Tristan Hoffman en Maarten den Bakker werd overvleugeld door een jongere garde onder aanvoering van Boogerd en Blijlevens. Léon van Bon en Max van Heeswijk reden in hun kielzog naar de internationale subtop. Nog opmerkelijker: Dekker en Knaven beleven nu hun tweede wielerjeugd.

De meeste renners profiteren van de professionele begeleiding bij Rabobank. Toeval of niet, sinds deze sponsor in 1996 zijn intrede deed, gaat het langzaam beter. De Italianen zijn niet langer superieur, wat volgens sommige ingewijden vooral te danken is aan de nivellering. Het gebruik van stimulerende middelen is minder geworden. De extreme prestaties zijn door de gezondheidscontroles een halt toe geroepen. Cynici beweren het tegenovergestelde. De Belgen en Nederlanders zouden de verboden praktijken keurig hebben afgekeken van de Italianen.

De opleving van de Nederlanders is des te opmerkelijker, gezien het geringe aantal van 58 licentiehouders. Vergeleken met de stroom Spaanse en Italiaanse professionals zijn de Nederlanders procentueel in het nadeel.

Maar het Calimero-effect heeft ook zijn voordelen. De concurrentie is minder groot, de kopmannen hoeven niet te vrezen voor hun beschermde status. Ze kunnen hun eigen programma rijden. Er is rust in de tent.

In de Goldrace maken morgenmiddag vijf Nederlandse renners aanspraak op de overwinning. Boogerd is de grootste kanshebber op het Limburgse grondgebied dat hij als zijn achtertuin beschouwt. Dekker, Knaven, Van Bon en Den Bakker zijn outsiders. De Nederlanders kunnen profiteren van het thuisvoordeel. De buitenlanders beschouwen het `draaien en keren' als een gevaarlijke afsluiting van een lang en zwaar voorseizoen.

De euforische stemming in het Nederlandse wielerkamp leidde tot hoogdravende uitspraken in de pers. Zo noemde Dekker in de Volkskrant de huidige generatie de meest succesvolle sinds de glorietijd van Raleigh. Hij verkeerde blijkbaar in hogere sferen, anders kan zijn gebrek aan feitenkennis en historisch besef niet verklaard worden. Inderdaad, de ploeg van Peter Post won bijna alles wat er te winnen viel. Maar het duurde na de opheffing van deze succesformatie nog tien jaar voordat de prijzenkast leger werd.

Dekker vergat in al zijn enthousiasme een zilveren generatie wielrenners die na het gouden kwartet Jan Raas, Hennie Kuiper, Joop Zoetemelk en Gerrie Knetemann het estafettestokje overnam. Peter Winnen, Johan van der Velde, Erik Breukink, Steven Rooks, Gert-Jan Theunisse, Jelle Nijdam, Adrie van der Poel en Jean-Paul van Poppel: zij waren in de jaren tachtig veel succesvoller dan de huidige lichting wielrenners.

Het grootste verschil schuilt in de veelzijdigheid. Natuurlijk mogen we juichen om een geslaagde ontsnapping in een waaierwedstrijd of een geslaagde test in het middengebergte. Daarom zijn de voorjaarsklassiekers geschikt voor hardrijders als Dekker en Knaven. Daarom zijn de kleinere rittenkoersen in Spanje en Italië op het lijf geschreven van Boogerd.

Maar voor een dominante positie in het wielerpeloton komt meer kijken.

Waar zijn de klimmers en tijdrijders gebleven? Dekker kan niet in de schaduw staan van Breukink. Boogerd is geen tweede Zoetemelk. De Nederlandse wielerliefhebbers moeten zich tevreden stellen met de kruimels op de wielerkalender. De Goldrace is het servet, de Tour de France is het tafellaken.

    • Jaap Bloembergen