Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, was zo nu en dan een goochelaar. Hij kende drie truukjes. Eigenlijk twee. Want één daarvan mislukte vaak. Meestal goochelde hij op verjaardagen. Als de mannen citroenjenever hadden gedronken en de vrouwen een advocaatje met slagroom, zongen we eerst allemaal een verjaardagslied. De kinderen kregen Ranja waar oranje velletjes op dreven en een eierkoek. Daarna verdween mijn vader in de keuken en kwam terug met twee eierdopjes. Meestal riep er dan wel een tante met schrille stem: ,,Stilte, Arie gaat goochelen.''

Mijn vader stond op, keek de kring rond, haalde een ei uit zijn binnenzak en liet zijn stem zakken. Hij zette het ei in een dopje, en zette het andere dopje ernaast.

,,Hoe krijg je zonder je handen te gebruiken, het ei in het andere dopje'', zei hij. Iedereen keek elkaar aan en begon te fluisteren. Na een kwartier wist nog niemand het. Mijn vader lachte geheimzinnig. ,,Je bent goochelaar of je bent het niet.'' Op zijn knieën ging hij voor de tafel zitten. Hij haalde diep adem, deed zijn handen op zijn rug en met een flinke blaasstoot blies hij langs het ei zodat het in het andere dopje kukelde.

Iedereen ging klappen. Hij was de held van de avond. Toen de ooms en tantes het later probeerden lukte het nooit. Want als echte goochelaar verklapte mijn vader niet dat het ei gekookt moest zijn.

Volgende week het andere truukje van mijn vader.

    • Maria Heiden