Lopen, niet denken

In een essay in De Gids, met als titel `Mooi, zo mooi', nam Peter van Lier het in 1999 op voor `schoonheid en behagen', tegen alle postmodernistische verdrukking in. Hij pleitte voor een hernieuwde belangstelling voor de dagelijkse werkelijkheid, voor de charme van het gewone. Al eerder had hij, in zijn dichtbundels Miniem gebaar (1995) en Gegroet o... (1998) een lans gebroken voor kleine dieren, voor snuitkever, vogeltje, vlinder en tor, maar ook voor boom en bries en voor glimlachende moeders en vaders die zich verheugen in hun ravottend kroost.

Het is een ogenschijnlijk rustieke wereld waarin Van Lier ons binnenleidt, waar de dingen gaan zoals ze behoren te gaan. Op zonnige dagen `worden door meisjes zomerjurkjes uit/ kasten gerukt, om leuk te dragen'. Ook gaat `de mens' massaal naar zee om daar zorgeloos te toeven. Het zoute water smaakt weliswaar vies, maar, staat er dan, `bezwaarlijk is dat niet,/ geenszins'. Of men gooit met ballen in het park, of zit er op banken, `zo gemoedelijk'. Aan het eind van zo'n mooie dag vol vrijetijdsbesteding voelt men zich `vreemd voldaan'. De spreekwoordelijke adder onder het gras schuilt in quasi geruststellende woorden als `geenszins', of `zo gemoedelijk'. Men is niet gewoon, maar `vreemd' voldaan, omdat men net als de dichter lijkt aan te voelen dat er iets niet helemaal klopt in deze mooie, overzichtelijke wereld, waar geen onvertogen woord valt en iedereen volop geniet van de natuur, de dieren, de zee en het park en waar men zich ook binnenshuis `alleszins geluimd' zou weten.

In het gedicht Natuurliefde uit zijn eerste bundel geeft Van Lier een fraaie indruk van de soms ietwat gespannen verhouding tussen het dichterlijke ik en zijn omgang met het omringende. Hij wandelt `tussen wat bomen', zo heet het, er dringt af en toe `een vogelgeluid' tot hem door en er liggen herfstbladeren op de grond, `bruin en nat met zand'. In de slotregels bekent hij dat zo'n wandeling niet lang duurt, `want ik houd van de natuur'. De natuur, zo zou je hieruit kunnen afleiden, is meer iets om vast te leggen in mooie, behaaglijke verzen, dan om gedachteloos in te verkeren.

Toch is het precies dat laatste, gedachteloos verkeren, dat nagestreefd wordt in Links, rechts, het eigenaardige, maar intrigerende prozadebuut van Van Lier. Twee lange wandelingen worden hier gemaakt en in detail beschreven, de eerste in de natuur, de tweede in de stad. Een naamloze `jongeling' gaat met frisse moed op pad op zijn nieuwe wandelschoenen. Dat het hem niet speciaal om de omgeving te doen is, blijkt wel uit het feit dat hij bijziend is, maar het niet nodig vindt om een bril op te zetten. Tijdens het wandelen hoopt hij zich te bevrijden van zijn existentiële ongenoegens en tijdens zijn tweede wandeling ook nog van een snerpende tandpijn, maar al snel wordt duidelijk dat dit een moeilijke, zoniet onmogelijke opgave is. Oefeningen in ascese zou je deze wandeltochten kunnen noemen, maar voor ware onthechting, zo blijkt al snel, is meer nodig dan goede wandelschoenen en een blik op oneindig.

De serene levenshouding die in de gedichten van Van Lier al aanwezig lijkt, moet hier nog veroverd worden, met moordende discipline. Onze wandelaar streeft naar een leeg hoofd. Jeugdsentiment en mijmeringen staat hij zichzelf niet toe. De aandacht moet bij de weg blijven en bij de goede cadans, de voortgang, het loopritme. Een losse, voorbijgaande gedachte over een boom of een vogel kan nog net, maar speculaties over onverwachte situaties of over plotseling opdoemende medemensen, zijn streng verboden. Een groetende boer, een wuivende automobilist of een fietser die hem iets wil vragen, zijn dan ook lastige obstakels op zijn pad, die hij krampachtig negeert.

De wandelaar weet maar één ding: dat hij niet mag blijven stilstaan. Dat leidt geregeld tot droogkomische episodes. Wanneer hij een stoplicht nadert, dan probeert hij het zo uit te kienen dat hij meteen door kan lopen, maar soms klopt de berekening net niet helemaal. `De/ lichten stonden zojuist op groen,/ herhaalt hij bij zichzelf – op groen. Luid autogetoeter wordt plotseling hoorbaar; op groen, herhaalt hij nog eens, en loopt onverstoorbaar verder. Of/ het omvangrijkere getoeter dat daarop volgt en het geschreeuw hem iets doet, is niet duidelijk: links, rechts, links,/ rechts,/ mompelt hij, terwijl het woord Gek over de kruising schalt.'

We hebben hier, zo lijkt het wel, te maken met een soort voorstudie voor nog te vervaardigen gedichten. Dit ruwe materiaal zal mogelijk later, in de studeerkamer, alsnog gesublimeerd worden tot schoonheid en behagen. Maar dat de dichterlijke stemming er al enigszins inzat, is op elke bladzijde te zien: veel wit is toegevoegd aan de natuur- en stadsobservaties. Lang niet alle regels lopen vol, sommige worden ergens halverwege afgebroken en regelmatig bestaat een regel maar uit een enkel woord. Van Liers taalgebruik zou ik intussen niet dichterlijk willen noemen. Eerder doet het afstandelijk en ietwat onderzoekend aan, met veel stellige en ferme woorden als `geenszins', `onmiskenbaar', `wijselijk', `terdege', `terstond' en `kordaat'.

Ik kan niet zeggen dat mij dat vele wit altijd even functioneel lijkt, maar een vertragende werking hebben al die open plekken wel. Het is niet goed mogelijk om door dit wandelaarsproza heen te hollen, zogezegd. Het kan alleen stapvoets gelezen worden en soms moet men ook even stilstaan om het wonderlijke panorama in zich op te kunnen nemen. Behulpzaam daarbij zijn de steeds terugkerende motieven, de onvermijdelijke hondenpoep onder meer, waar de wandelaar tot zijn ontzetting regelmatig instapt. Nog veel talrijker, nogal aandoenlijk ook, zijn de vele vermaningen, die hij tot zichzelf richt, soms aangevuld met een draai om het eigen oor. Hij meent immers immers weinig reden te hebben tot tevredenheid.

Met een grimlach wordt hier de wereld bezien. Ondanks al zijn inspanningen is het de jonge man niet vergund om schoonheid en behagen deelachtig te worden. Van Lier weet dat schrijnende besef goed over te brengen. En bij vlagen ook erg mooi.

Peter van Lier: Links, rechts. Twee wandelingen. G.A. van Oorschot, 212 blz. ƒ35,25.