Jezus moet wat opschuiven

De Arabische Zee ligt sinds kort in Nederland, aan de rand van Nijmegen in het Bijbels Openluchtmuseum. Daar is een islamitisch vissersdorpje `Tell Arab' gebouwd, waarmee de islam definitief in het geloofsmuseum is doorgedrongen. ,,Dat werd hoog tijd'', zegt algemeen directeur P.M. Gijsbers. ,,We konden niet langer om de islam heen.'' Het Bijbels Openluchtmuseum, in 1911 door pater Arnoldus Suys gesticht als katholiek pelgrimsoord, is volgens Gijsbers een cultuurhistorisch museum geworden. Vanaf de jaren zestig wordt ook het joodse geloof getoond. Dat daar de islam is bij gekomen, biedt ,,unieke mogelijkheden om verhalen te vertellen over de religieuze achtergronden van de multiculturele samenleving'', schreef de Raad van Cultuur. Het leverde het museum voor het eerst subsidie op van het ministerie van OC en W.

Samen met zakelijk directeur E. Lamers laat Gijsbers het nieuwe dorp zien. Aan een vijver liggen zeven lichtgele huisjes. Zogenaamde visnetten hangen op palen te drogen en in de scheepswerf ligt een geraamte van balken klaar om tot schip te worden gebouwd. Het dorp moet een beeld geven van de islamitische cultuur in de Middeleeuwen. Bij de bouw heeft het dorpje Mirbat, aan de kust van Oman, model gestaan.

Terwijl Gijsbers en Lamers door het dorp lopen, scheurt een lichtblauwe pick-up-truck langs. De bestuurder trapt op de rem, slipt en laat het grind opspatten. Lamers spreekt de chauffeur lachend, maar ook vermanend toe. ,,Ik ga gele kaarten uitdelen. Jullie rijden veel te hard.''

De bumbersticker achterop de wagen verklaart het rijgedrag. Naast het christelijke EO-visje staat de kop van VPRO's beruchte tv-dominee Muntz en diens woorden: ,,Ik rem alleen voor Jezus''.

De racende bouwvakkers hebben haast, omdat er nog flink moet worden gewerkt om Tell Arab op tijd af te krijgen. Zondag zal de ambassadrice van Oman samen met de leerlingen van een Nijmeegse islamitische basisschool de officiële opening verrichten.

Gijsbers is zelfs naar Mirbat gegaan om het te bekijken en er kleding, kruiken, koperwerk en andere benodigdheden te kopen. Die komen allemaal in het dorp terecht. Bij de koperslagerij hangen potten en pannen aan de muur. Een woonhuis laat zien hoe het feest van de profeet wordt gevierd. En in de soek, een overdekte marktplaats, worden specerijen en kruiden verkocht. In het atelier liggen stoffen in alle kleuren klaar voor de kleermaker, die er gewaden van naait voor de bezoekers.

Gijsbers snuift er aan de muren. ,,Echt leem'', zegt hij. ,,Dit is gewoon koeienstront.'' Een huis verderop smeert een medewerker het mengsel van mest en water vakkundig uit over de vloer. Wegens de MKZ-maatregelen is de kruiwagen met paardevijgen speciaal geïmporteerd uit Duitsland. Het is, naast het wegblijven van bezoekers, niet het enige nadeel dat het museum door de epidemie heeft ondervonden. Vier kamelen die de `woestijn' zouden bevolken en waarmee een oude karavaanroute naar het dorp zou worden nagespeeld, werden vlak voor de aanschaf geruimd. Lamers: ,,Ik had net een fokplan voor ze opgesteld.''

Kamelen moeten er beslist nog komen, vinden de twee. ,,Want dieren zijn erg belangrijk in het overbrengen van een vreemde cultuur'', zegt Lamers. En er valt nog genoeg over te brengen. ,,De islam is meer dan de slager in de Transvaal. Hier leren de bezoekers welke invloed de islamitisch-Arabische cultuur op Europa heeft gehad'', legt Gijsbers uit. ,,Bijvoorbeeld op de gebieden van landbouw en zeevaart.''

Naast de religieuze verschuiving heeft de bouw van Tell Arab ook voor grote geografische veranderingen gezorgd. De christelijke nederzetting die eerst op de plaats van het Tell Arab stond, moest wijken. Gijsbers wijst naar de vijver: ,,Vroeger was dit het Meer van Galilea. `Kijk, daar loopt Jezus', riepen we toen altijd. Dat is nu de Arabische Zee geworden. Jezus moet nu maar naar het volgende dorp opschuiven.''

    • Frank Provoost