In de verte schemert Oceanië

Na vier jaar verbouwen en zeven maanden inrichten is gisteren het vernieuwde Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden geopend.

Wat een goed idee van het gerenoveerde Rijksmuseum voor Volkenkunde om hedendaagse kunstenaars om een bijdrage te vragen. Zo stemt de spiegel die de Zuid-Afrikaan Andries Botha ons in An outdoor archive voorhoudt, al bij voorbaat tot nederigheid. Dachten we in onze westerse arrogantie ons te gaan vergapen aan vreemde volkeren met `rare' rituelen? Zelf zijn we niet minder raar. Op 21 palen langs het pad naar de hoofdingang houdt Botha ons met kleine sculpturen en geestige teksten ónze heilige fetisjen voor: het spionnetje, de kaasschaaf, de klompen, het opblaas-KLM toestel in de `gezellige' huisjes, het `bruin gekleurde, natuurlijk byproduk van troeteldier' op de straten en onze koffiecultuur (`vriendelijke uitnodiging vir koffie moet ernstig opgeneem word want dit verteenwoordig die gesogte oomblik om 'n reeks ernstige strydvrae wat self, land, staat of liefde betrek, te bespreek')

Iets bescheidener betreden we het museum in Leiden, dat gisteren officieel werd heropend door minister-president Wim Kok. Daar, in de entreehal, wacht de eerste verrassing. Licht, staal, glas en oranjeroze marmer uit Alicante geven de ruime hal zuidelijke allure. Weg is het ziekenhuisinterieur met de lange, sombere gangen en de grote en kleine kamers aan weerszijden. Het voormalig academisch ziekenhuis, een ontwerp van de architect H.F.G.N. Camp uit 1868, is van binnen volledig gesloopt, alleen de buitenkant is gebleven zoals hij was.

Het nieuwe ontwerp is van Roy Lim en Martien Jansen van architectenbureau O.D. 205 in Delft. Ze verdeelden het gebouw in vier lagen, waarvan twee, begane grond en eerste verdieping, voor de vaste presentatie. In de kelder zoemt de apparatuur van de klimaatbeheersing en zitten beveiligingsmensen achter videoschermen. Op de bovenste verdieping zuigt een restaurator in het modern geëquipeerde restauratieatelier het stof van een fragiele houten boot en hangt een rode indianenhoofdtooi met strengen van goud-groene keverschildjes te wachten op behandeling.

De museumroute begint op de eerste verdieping bij de gebieden rond de Noordpool. In een feeëriek verlichte zaal met lage horizontale en hoge verticale vitrines lijken kledingstukken vrij in de ruimte te zweven. Helemaal vooraan hangt een belangrijk stuk uit de collectie van het museum: een 19de-eeuwse vrouwenjas uit het zuidoosten van Siberië gemaakt van goud-geel beschilderde zalmhuid en afgebiesd met zwart-blauwe en rode randen. De vrouw die de jas droeg moet hem volgens het gebruik van haar tijd dag in dag uit hebben gedragen, het hele jaar door. Misschien reisde ze ook wel in zo'n mooie, in pasteltinten geschilderde hondenslee, die achter de jas op een vitrine staat. Verderop, waar een masker van een grijnzende, roze zalm met grote bolle ogen de zaal in staart, zijn we al aangekomen bij Canada.

Begeleidende teksten zijn summier gehouden. Uitgebreide verhalen bij de voorwerpen zijn te vinden op lcd-schermen naast de vitrines, of bij de lange houten zitbank links in de zaal. Tegen een lange betonnen wand beelden – volgens de nieuwste technieken verlichte – foto's van ijsschotsen, verlaten steppen en grazige weiden de gebieden uit waarin de uitgestalde objecten voorkomen. De betonnen muur, waarop ook bewegende beelden worden geprojecteerd, scheidt de ruimte in een grote tentoonstellingszaal en een smalle galerij erachter voor kleine exposities.

Het Rijksmuseum voor Volkenkunde beheert, onderzoekt en exposeert cultureel erfgoed vanuit de hele wereld. In de nieuwe opstelling is een verdeling gemaakt in acht cultuurgebieden, te beginnen bij de Poolgebieden/Noord-Amerika en Midden- en Zuid-Amerika. Een trap naar beneden leidt naar Afrika, Azië, Indonesië en Oceanië. Dan gaat het weer omhoog naar China en Japan/Korea. ,,We hebben een geografische ordening aangebracht'', zegt algemeen directeur dr. Steven Engelsman. ,,Bezoekers gaan in een lus om de wereld van cultuurgebied naar cultuurgebied. Ze kunnen ook kiezen voor een topstukkenroute en er is een speciale kinderroute. In elke zaal vind je samenhangende clusters van voorwerpen waarin een verhaal wordt verteld.'' Zo herinneren grote bronzen koppen van overleden Afrikaanse koningen en uit een muur gewrikte sculpturen aan een strafexpeditie in Benin, door de Engelsen in 1897 ondernomen na de moord op een Engelse gezant. De kosten van de expeditie werden betaald uit de verkoop van oorlogsbuit. De zeldzame, geroofde stukken kwamen zo in musea over heel Europa terecht, waaronder dat in Leiden.

Poolgebied: zachtgroen

In totaal zijn er twaalf tentoonstellingszalen, vier grote en acht kleine. Alle hebben eenzelfde opzet gekregen: een ruimte voor de vaste, historische collectie, een lange betonnen muur voor de weergave van het thema en projecties, en een smalle galerij voor snel wisselende, op de actualiteit geënte exposities. Voor de opening van het museum is gekozen voor foto-exposities. Zo zijn van Jacob van Zuylen, die als leider van een metereologische expeditie in 1932 naar Oost-Groenland reisde, nooit eerder geëxposeerde foto's van het leven daar te zien en legden journalist Frénk van der Linden en Lineke Rippen de recente actualiteit in China vast.

Sfeer en inrichting zijn in elke zaal anders, afhankelijk van de cultuur die erin wordt gepresenteerd. In de Indonesië-zaal staan de vitrines haaks op de looprichting, zodat er een soort eilandenrijk ontstaat. Terwijl in het Poolgebied het zachte zeegroen overheerst, is de sectie Midden-Amerika opgebouwd uit gematteerde glasplaten in geelgroen, rood en oranje. Hier prijkt van de Mexicaanse kunstenaar Aurelio Flores een grote levensboomkandelaber, die net als de jas uit Siberië onderdeel uitmaakt van de `topstukken'. De kandelaber met takken die oprijzen uit het lichaam van de aartsengel Gabriël, lijkt op een enorme veelkleurige palmpasenstok, versierd met vogels, bloemen en Adam en Eva – met kuise broekjes aan. Minder opvallend, maar des te belangrijker is hier de `Leiden Plate', een hanger van jade van de Maya's. Hij werd in 1864 bij het graven van een kanaal in Guatemala bij toeval gevonden door de Nederlandse ingenieur J.A. van Braam. Het platte voorwerp bevat een van de oudste dateringen uit de Maya-tijdrekening, namelijk de troonsbestijging van de heerser Balam-Ahau-Chan in het jaar 320.

Doorkijkjes geven het nieuwe museum een grote transparantie. Elke zaal werpt al een blik vooruit op het volgende cultuurgebied. De plaatsing van de objecten speelt daarop in. Een boeddhabeeld uit China kijkt recht in de ogen van zijn Japanse en Koreaanse evenbeelden verderop. Door de grote afdeling Indonesië met zijn betoverend mooie wajang-poppen, enorme poortwachters en de hindoeïstische, 13de-eeuwse Ganesha met olifantenkop (`de mooiste Ganesha die er bestaat' volgens Engelsman), schemert in de verte al de sectie Oceanië. Vanachter de betonnen muur daar komen een paar torso's met versleten T-shirts tevoorschijn. Ze blijken onderdeel van nog zo'n aardig project van een moderne kunstenaar, waarvan er acht binnen en drie buiten te vinden zijn. De Nederlander Roy Villevoye (1960) fotografeerde de Asmat, een bevolkingsgroep op Irian Jaya, gehuld in westerse T-shirts vol gaten en scheuren en zet ons daarmee lelijk op het verkeerde been. Wat we onmiddellijk geneigd zijn te interpreteren als schrijnende armoede, blijkt gewoon een uiting van kunst: de kledingstukken zijn expres zo bewerkt, bij elke persoon anders. Villevoye maakte er foto's van en exposeerde daarbij een reeks van de op de foto's gedragen T-shirts. Elke 10.000ste bezoeker van het museum krijgt zo'n shirtje mét een foto van de oorspronkelijke drager.

Geel masker

In het zaaltje wordt de blik weer verder getrokken naar de volgende ruimte. Daar doemt achter de doorgang een fel gekleurd bouwwerk op met in het midden een bont beschilderde zittende figuur met een langgerekt geel masker. Het gaat om een tamelijk recente (1984) initiatieruimte voor mannen van het Abelam-volk op Papoea Nieuw Guinea, dat befaamd is om zijn gevoel voor kunst en architectuur. Beelden en schilderingen in de ruimte zijn volgens de Abelam tijdens de initiatierite bezield met bovennatuurlijke kracht, na afloop is de magische waarde verdwenen. Om het zeven meter hoge werk te plaatsen is een speciale ruimte gebouwd van twee verdiepingen. Via een trap en een rondgang kan men het ook van boven bekijken. De achterkant is benut om houten beelden voor het dodenritueel in Melanesië op te hangen. Daaronder is een intrigerend, gestileerd 19de-eeuws godenbeeld uit Micronesië waaraan details als ogen, neus, oren, handen en voeten ontbreken. Beelden als deze, waarvan er minder dan twintig bewaard zijn gebleven, maakten grote indruk op moderne kunstenaars als Giacometti en Henry Moore.

Opvallend in het nieuwe museum is, behalve de sprookjesachtige verlichting, de ruimte die de voorwerpen krijgen. Er zijn geen theatrale opstellingen of stijlkamers, objecten worden strikt op zichzelf getoond. Uit de enorme collectie van 193.000 voorwerpen zijn er slechts 3.000 geselecteerd voor de vaste opstelling. ,,In totaal hebben we 3.200 vierkante meter expositieruimte. Gemiddeld is er voor elk voorwerp dus grofweg een vierkante meter beschikbaar'', zegt Engelsman. Het selecteren was de moeilijkste klus van alles, vertelt hij. Voor de Indonesië-zaal bijvoorbeeld moesten uit 60.000 voorwerpen er 275 worden gekozen. Niet alleen het belang en de schoonheid van de afzonderlijke voorwerpen telde, maar ook de onderlinge samenhang. Engelsman: ,,Vanaf het begin was het motto: `kill your darlings' en dat deed pijn. Medewerkers hier kennen de collectie en de boeiende verhalen die bij de voorwerpen horen goed en willen die graag laten zien. Het is pijnlijk als dat dan niet doorgaat. Maar dat gevoel gaat weer over op het moment dat je beseft dat de bezoeker dat allemaal niet mist.''

Voor de inrichting hebben Frans Bevers en Lies Willers van het bureau Opera Ontwerpers, geschoven met plattegronden, symbolen en grafische weergaven van te exposeren objecten. Leidraad bij de opstelling was het boek Het leven een gebruiksaanwijzing van de Franse schrijver Georges Perec, waarin vanuit één huis in Parijs via verhalen over bewoners, kamers en appartementen grote sprongen in tijd en plaats worden gemaakt. Het boek heeft een rode draad in de vorm van de hoofdpersoon, de reiziger Percival Bartlebooth. Zo'n verbindend element zochten de ontwerpers in de ontmoetingen tussen verschillende culturen. De contacten worden uitgebeeld met projecties op de betonnen muren. Zo is in de Azië-zaal te zien hoe het boeddhisme vanuit India doordrong tot China, en in de Japan-zaal hoe de Chinezen dit weer aan de Japanners doorgaven.

Von Siebold

Het Rijksmuseum voor Volkenkunde is in 1837 opgericht met als basis enkele belangrijke etnografische verzamelingen uit Japan, waaronder die van de Nederlandse arts dr. Ph.F. von Siebold, die van 1823 tot 1830 op de handelsvestiging Deshima werkte. De verzameling werd gekocht door koning Willem I voor het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, dat later deels in het Leidse museum werd opgenomen. In de 19de en 20ste eeuw heeft het museum zijn collectie steeds met voorwerpen uit nieuwe gebieden uitgebreid. De opstelling was sinds 1937 alleen maar in delen gewijzigd en sterk verouderd. In 1988 constateerde de Algemene Rekenkamer dat het goed mis was met beveiliging en collectiebeheer. Sindsdien kwamen de ontwikkelingen in een stroomversnelling, de politiek bemoeide zich ermee en er kwam geld. In 1991 werd in het kader van het Deltaplan voor cultuurbehoud en de verzelfstandiging begonnen met registratie en conservering van de collectie. Daarbij kwam aan het licht dat een kwart van de collectie `zoek' was, deels als gevolg van een gebrekkige administratie, deels omdat objecten vergaan en weggegooid waren, maar ook doordat het depot vrij toegankelijk was en er makkelijk een voorwerpje in de zak kon worden gestoken. Dat zal niet snel meer voorkomen. De niet geëxposeerde voorwerpen zijn, mits niet uitgeleend, ondergebracht in een beveiligd depot in 's Gravesande. Alle objecten zijn beschreven, gefotografeerd en ingevoerd in een collectiebeheersysteem.

De verbouwing heeft vier jaar geduurd, de inrichting zeven maanden. Kosten: 80 miljoen gulden, waarvan 63 miljoen voor de renovatie, 15 miljoen voor de inrichting en twee miljoen voor de nieuwe aanleg van de tuin. Behalve de tentoonstellingszalen is er nog een aparte vleugel met een eigen ingang waarin grotere tijdelijke tentoonstellingen worden georganiseerd. De eerste, Indië ontdekt, Exposities en onderzoek in de Oost en de West, begint op 10 juni. Ter gelegenheid van de opening schreef Boudewijn Büch De hele wereld in een vitrinekast, een reis rond de wereld aan de hand van de collectie van het museum. Steven Engelsman, directeur sinds 1992, kan tevreden zijn: ,,Het zijn tien fantastische jaren geweest. De collectie is nu goed, het gebouw is af, het publiek kan komen.''

Museum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden. Open di-zo 10-17 uur. Tel. (071) 5168800. www.rvm.nl

    • Gerda Telgenhof