Het wijze zwijgen tussen twee bejaarden

Het gebeurt maar zelden dat je straffeloos één en hetzelfde boek kunt lezen, om en om, in de originele taal en in de Nederlandse vertaling. Vaak bekruipt je vaag het gevoel dat de één net even anders is dan de ander, dat de werelden toch niet naadloos op elkaar aansluiten of dat de sfeer van het origineel een fractie afwijkt van die van de vertaling. Natuurlijk, Frans lezen verschilt nu eenmaal van lezen in het Nederlands – zeker als dit je moedertaal is. Maar wie beurtelings een paar pagina's leest uit La demande van de Franse schrijfster Michèle Desbordes en uit Het verzoek, de vertaling van Marianne Kaas, en dit het hele boek door volhoudt, voelt geen moment de neiging in zich opkomen de vertaling naast zich neer te leggen om door te lezen in het Franse origineel. Hier is een ervaren vertaalster aan het werk (vijf delen Jean Rouaud!) die de verstilde toon van de schrijfster niet alleen heeft aangevoeld maar ook perfect heeft weten weer te geven, die de sfeer van het boek heeft geëerbiedigd en die in staat is geweest het Franse universum van Desbordes ook in het Nederlands volwaardig vorm te geven.

Eenvoudig moet dit allerminst geweest zijn. In Het verzoek is nauwelijks sprake van een handeling of van karakterontwikkeling, laat staan van actie of spanning. Het verzoek gaat juist, onderhuids en tussen de regels door, over stilte en het onzegbare, over het verstrijken van de tijd, over het naderen van de dood – dat alles beschreven in lange zinnen, magnifieke, verstilde beelden en beeldschoon, meanderend taalgebruik. Desbordes, die eerder de roman L'habituée en de dichtbundel Sombres dans la ville où elles se taisent publiceerde, liet voor Het verzoek haar verbeelding los op de laatste levensjaren van een oude Italiaanse meester, die ze in haar boek niet met name noemt, maar alles wijst in de richting van Leonardo da Vinci (1452-1519). Waarom in de Nederlandse vertaling de familienaam wel wordt genoemd is onduidelijk – en onnodig: het boek staat ook zonder die verduidelijking. De Franse koning, zo blijkt pas in de loop van het boek, heeft de oude geleerde en kunstenaar verzocht plannen te ontwerpen voor de uitbreiding van zijn kastelen aan de Loire. Na een tocht van drieënzeventig dagen, komt de oude meester, te paard, vanuit Milaan, vergezeld van enkele leerlingen en een knecht, aan op een landgoed aan de Loire, dat hem door de koning ter beschikking is gesteld. De oudere vrouw die het huishouden voor hen zal doen, wacht al geruime tijd op hen: `Ze keek naar de oude man en de leerlingen, naar de knecht, rechtte de rug, en terwijl ze met een hand een lok die was losgeraakt terugduwde in de muts kwam ze op hen toe met kleine pasjes in het grijze fustein, de zon viel op de taxusbomen en de palmboompjes op de terrassen, achter haar kleurde het zand in de lanen wit. Wat lager tegen een hek graasde een ezel. Ze glimlachte zonder iets te zeggen, ging hen voor het huis in.'

De oude man wandelt langs de rivier of over de terrassen, kijkt naar de bomen, vraagt om pen en papier, maakt aantekeningen, tekent zijn paarden. Hij becommentarieert de vrouwenportretten van zijn leerlingen, corrigeert contouren, zet een schaduw wat sterker aan. Hij maakt bouwplannen voor zuilengangen en koepels, voor sluizen en dijken, voor villa's op witte krijtrotsen, voor een trap, `waarlangs iedereen naar boven en naar beneden zou kunnen gaan zonder iemand tegen te komen die opdat moment hetzelfde deed'. Hij bladert, zoekt, `weet het niet echt meer'. Soms `gehoorzaamden de arm, de vingers niet meer, tot roerloosheid verkrampt om de potloden.'

De huishoudster veegt, wast, stoft af, kluwt wol op, spreidt armenvol heide op de vloer uit. Ze schuurt de nappen, maakt `karpers en lampreien' klaar, palingen, meloenen, vijgen en citroenen. Ze komt `in ruisen van rokken' naderbij, biedt een in het vuur gepofte appel aan of een glas wijn. Ze vertelt wat er in de stad gebeurt: wie er aan de schandpaal is genageld, wie de put vergiftigd heeft en wie `zich met zijden gewaden en gouden halssnoeren ziek van liefde (had) verdaan in het diepe water van de rivier'. Maar haar rug doet pijn, ze staat 's morgens vermoeid op, haar benen beginnen dienst te weigeren en haar borst steekt.

Tussen deze twee oude mensen bestaat alleen de blik – in het begin afstandelijk en nieuwsgierig, later betrokken en zelfs liefdevol. Hun samenzijn bestaat uit zitten voor het venster, in stilte, onbeweeglijk en zonder herinneringen te delen. Hij treurt om het langzame vergaan van zijn fresco's, met moeite aangebracht in de hoogste koepelkerken, zij begraaft haar zoon, vrucht van een ongelukkig en kortstondig huwelijk. Hun onuitgesproken band bestaat uit een glimlach, een gebaar, een wachten op elkaars aanwezigheid, een lijden in ondoordringbare zwijgzaamheid – die pas werkelijk verbroken wordt door het verzoek dat de vrouw uiteindelijk tot de man richt en dat hier niet onthuld mag worden.

Steeds sterker wordt beider leven bepaald door de wisseling der seizoenen: bleekblauwe luchten, de triestheid van de naderende winter, de stormen, de noordenwind, de regen op de daken. Onverstoorbaar en sereen beleven ze – ieder opgesloten in hun eigen denken – het verstrijken van de tijd, het laatste beetje dat hen rest: `alles was soms zo prachtig geweest.' Het verzoek is een kleinood, kwetsbaar en van grote schoonheid, waarvan de schittering nog lang in je geheugen blijft hangen.

Michèle Desbordes: Het verzoek. Vertaald door Marianne Kaas. Van Oorschot, 114 blz. ƒ49,80 (geb), ƒ29,75 (pbk)

    • Margot Dijkgraaf