Het vandalisme van de achteloosheid

Cultuur bestaat bij de gratie van continuïteit, maar in de Nederlandse steden is dat besef ver te zoeken. Achtste aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Het Plan Berlage heeft jaren met één ster in de Michelingids gestaan. Daar heeft Michelin een rake keuze mee gedaan. In zijn ruimtelijke ordening – met de allee van de Apollolaan, zich in de Churchilllaan en Rooseveltlaan voortzettend tot de Amstel, met het patroon van straten, pleinen en water – is het plan een voltooide eenheid, mooi op zichzelf. In de loop van tientallen jaren is gebleken dat het een extra verdienste heeft. Dit stadsgebied heeft zijn oorspronkelijke karakter bewaard, het heeft zijn levenskracht niet verloren. Het is gespaard gebleven voor het verval dat in Amsterdam `verloedering' heet. Daarbij is het binnen driekwart eeuw van een nieuw buitengewest gegroeid tot een schakel tussen de oude stad en de expansie aan de Zuidas. Het Plan Berlage in zijn tegenwoordige gedaante zou een voorbeeld van goed stadsbeheer kunnen zijn, als het niet één zwakke plek had. Hier toont Nederland zich op zijn holst: in deze combinatie van een grootsheid in plan en uitvoering, en een zwakte die zich toont in plotseling versagende verbeeldingskracht en verwaarlozing. Een bezienswaardigheid op zichzelf.

Dit is de situatie. Op de plaats waar het Noorder en het Zuider Amstelkanaal samenkomen met de Boerenwetering en zich in het Amstelkanaal voortzetten, op deze viersprong van stadswaterwegen, ligt een ruimte die een `stadsmeer' mag heten. De `begeerlijkste plek van Amsterdam Zuid', zo is het genoemd. Daar is, naar het ontwerp van A. Boeken, in 1934 de Apollohal gebouwd. Op zichzelf lang niet slecht. Daarnaast stond Cinéma Du Midi. Toen dit complex er eenmaal was, bleek de omgeving om verdere bebouwing te vragen. Met de Apollohal was – wat men kennelijk toen niet heeft beseft – het begin van verkaveling gegeven. Vervolgens verrezen het botenhuis annex sociëteit van roeivereniging De Amstel, een paar benzinepompen met een knullig schuurachtig gebouwtje en een hotel dat, dankzij deze ligging, van uitbreiding naar uitbreiding ging zonder dat de architecten zich om de omgeving bekommerden. Du Midi ging dicht. De zuidzijde heeft jaren bescherming aan een dakloze geboden, tot zijn hutje in brand vloog. Een zwart berookte muur herinnert eraan. Zo is de begeerlijkste plek door kortzichtigheid, onbenul of bangheid van het stadsbestuur onherstelbaar verpest. Een verminking in het Plan Berlage.

Wat had er kunnen staan? Een concertgebouw, misschien naar het ontwerp uit 1924 van C. Feltkamp. Dat was een project waarmee deze omgeving recht zou zijn gedaan, een waardige tegenhanger van de vroegere Rijksverzekeringsbank, die in zijn transformatie tot particulier kantoorgebouw goed bewaard is gebleven. Zo'n concertgebouw, of een constructie van vergelijkbaar doel, had in deze omgeving de allure van Berlage bevestigd. Maar de moed, energie en verbeeldingskracht waren verbruikt. Of we vandaag met zo'n gebouw van Feltkamp gelukkig waren geweest? De tekeningen tonen een constructie met het formaat van de kathedraal in Milaan, een verpletterend volume. Daarover hoeven we ons in ieder geval nu niet meer bezorgd te maken. En we hadden toen trouwens al een Concertgebouw. Maar dat is het probleem niet. In dit holst van Nederland demonstreert zich het kernvraagstuk: wat had kunnen zijn en wat geworden is. De begeerlijkste plek verkaveld en verwerkt tot een rommelpot, tot aantasting van een volmaakt stadsplan.

Ik gebruik dit voorbeeld omdat het tekenend is. Het holst van Nederland heeft twee kanten. We zijn hier bij tijd en wijle niet bang voor een flinke visie, een groot plan en dan ook niet te lui of te schriel om het uit te voeren. Maar als het voltooid is, of bijna voltooid, kan zich iets van ons meester maken dat ik moeilijk te benoemen vind. Is het nonchalance? Zijn we van onze eigen moed geschrokken? Vergeten wat we van plan waren? Generen we ons en verloochenen we met een reeks van kleine daadjes op het nippertje de grote daad?

Hoe dat ook mag zijn, op deze begeerlijkste plek kun je nu je tank laten volgooien en een reep chocola kopen.

In het holst van Nederland huist, naast veel bewonderenswaardigs, een typisch Nederlandse vorm van vandalisme. Het is niet een aandrift om opzettelijk vernietigend tekeer te gaan, geen orgie van verwoesting, maar een langzaam, in toenemende onverschilligheid, achteloosheid of vermoeidheid prijsgeven van wat eens als kostbaarheid was erkend. De lotgevallen van het landgoed Kareol bij Aerdenhout vormen ook zo'n voorbeeld. In 1979 is, na een lange martelgang het landgoed Kareol bij Aerdenhout gesloopt. Dit weergaloze Jugendstilkasteel, gebouwd tussen 1908 en 1911, in opdracht van Julius Carl Bunge naar het ontwerp van de Zweedse architect Anders Lundberg, had het al tot rijksmonument gebracht toen het wegens geldgebrek aan de sloper werd prijsgegeven. Even hartverscheurend is het verdwijnen van de Galerij aan het Frederiksplein, de hoefijzervormige constructie die van het Paleis voor Volksvlijt na de brand van 1929 was overgebleven. We moeten naar Spa, Karlsbad of Marienbad om een indruk te kunnen krijgen van wat op de plaats van de Nederlandsche Bank heeft gestaan. De Bank op het Frederiksplein was de verblindende waan van die tijd, waardoor het Nederlands vandalisme de ruimte kreeg om toe te slaan.

Wat de afgelopen jaren met het Damrak is gebeurd, weet praktisch iedereen. Het is die typische evolutie: van grote, met getetter aangekondigde plannen, de aanleg van een `rode loper', tot de dagelijkse werkelijkheid van een morsige porno- en patatallee. En laten we in deze buurt gewaarschuwd zijn. De Dam wordt opnieuw grootscheeps gerenoveerd. Dat is een paar jaar geleden, à raison van 1,3 miljoen gulden, ook al gebeurd. Daarna was het gemeentebestuur zo vermoeid geraakt, dat het nationale plein binnen een paar maanden weer aan verwaarlozing werd prijsgegeven. Over de 1,3 miljoen is, bij mijn weten, nooit meer gesproken.

Binnenkort zal worden beslist over de toekomst van het Rijksmuseum, de gedaante die Het Nieuwe Rijksmuseum zal krijgen. Het is de hoogste tijd dat het, naderend tot de grens van verval, zal worden gemoderniseerd. Daarvoor is 445 miljoen beschikbaar. Maar hoe gaat dat gebeuren? Daarover zijn in februari twee grote openbare debatten gehouden, en het ministerie van OCenW heeft ter gelegenheid daarvan een boekje uitgegeven waarin honderd stellingen zijn verzameld (voor tien gulden te koop in de museumwinkel). Goed dat over zo'n nationale zaak wordt gedebatteerd, mooi dat het door een boekje wordt begeleid. De debatten waren een gebeurtenis op zichzelf, het boekje is een documentje. In Felix Meritis en de Beurs van Berlage zijn veel dingen gezegd waaruit verstand van en zorg voor de continuïteit van kunst en cultuur blijkt, en hetzelfde geldt voor veel stellingen in dit boekje.

Maar het is, behalve dit, ook een documentje van nationale onzin. Men leert eruit (voorzover men het niet wist), dat ook de cultuurdragende landgenoot zich kan laten meeslepen in een vernieuwingsdrift die nagenoeg hetzelfde effect heeft als het vandalisme van het soort dat ik hierboven heb beschreven. Zaag het gebouw van Cuypers in tweeën, sloop de helft en bouw in plaats daarvan iets dat deze tijd recht doet! Het nieuwe museum moet ook toegankelijk zijn voor bezoekers op skates. Breek het steen voor steen af en bouw het ergens anders weer op. Dergelijke vondsten.

Van dergelijke radicale vernieuwingen komt niets terecht, omdat het radicalisme door zichzelf al contraproductief werkt. Uitvoerders en verantwoordelijke autoriteiten krijgen spijt. Halverwege het vernieuwingsproces brengen behoudender krachten veranderingen aan. Of het geld raakt op. Het resultaat is een bizar soort half werk waarmee volgende generaties lang zitten opgescheept. Erger wordt het nog als de vernieuwing gepaard gaat met het krampachtig ludiek zijn, het ludicisme. Al een jaar of veertig zijn veel scheppende geesten in het holst van Nederland bang, niet speels genoeg voor het voetlicht te verschijnen. Om op het Damrak en het Rokin terug te komen: daar wordt aan het straatmeubilair bewezen wat het grootste nadeel van deze speelsheid is: de snelle veroudering. Wat vandaag speels lijkt, is morgen gebarsten en afgebladderde make-up, zinloze barok.

De taal is het eerste voertuig van iedere cultuur. Als de cultuur levensvatbaar is, verandert de taal mee. Iedere generatie drukt zich op haar eigen manier uit, zoals iedere generatie anders woont en in de toekomst kijkt. Dat is geen reden om het verleden af te breken. Cultuur komt niet iedere twintig jaar per nieuwe revolutie uit de lucht vallen maar bestaat óók bij de gratie van een continuïteit. In onze literatuur en wetenschap is geen gebrek aan dit besef. Daar wordt de taal in redelijke mate beschermd. En verder hebben we allerlei instanties, het Genootschap Onze Taal, lexicografen die op eigen intitief werken, die het bestaande verdedigen en de vernieuwingen toetsen.

In het vandaliseren, door achteloosheid of verhuld als ludiciteit, spelen politiek en overheid alweer een treurige rol. Ik stel het vast, zonder op de oorzaken in te gaan. `Politiek Den Haag' is een broedplaats van verhaspelingen in zinsbouw en krampachtige pogingen tot oorspronkelijkheid. Gemeentelijke instanties en rijksdepartementen fabrieken wanstaltig geformuleerde voorschriften. Het overheids-Nederlands in het bestel van de consensus is bezig zich te ontwikkelen tot een taal van de duisternis. Het zou me niet verbazen als dit ingevreten gebrek aan nauwkeurigheid heeft bijgedragen tot het ontstaan van de grote ongelukken die ons nu bezighouden.

Diep in mijn hart ben ik een nationalist. Toen de Verenigde Staten 200 jaar bestonden, werd op de Hudson een internationale vlootschouw gehouden. Een aantal wat roestige oorlogsbodems stoomde de rivier op. Toen kwam er een smetteloze torpedobootjager, met de driekleur. Ik was trots. Een paar jaar later werd de Engelse vertaling van Harry Mulisch' De ontdekking van de hemel officieel gepresenteerd in New York. De schrijver hield in het Engels een mooie toespraak. Trots. Daarom word ik boos, daarom verdriet het me, als onze overheid, onze woordvoerders, uit dit holst van Nederland er met de pet naar gooien.

Volgende week begeeft Wilfred Takken zich in het Holst van Nederland.

    • H.J.A. Hofland