Het baby boomerang-effect

`En dan die vreselijke Bob Dille'.

Roel Bentz van den Berg mengt zich in het `generatiedebat', in zijn maandelijkse serie.

Ich bin ein Babyboomer. Ik stam uit 1949, ontkennen heeft geen zin. Omdat wij geboren zijn in een tijd dat er na lange magere jaren weer ruim aan de vraag naar baby's voldaan kon worden, krijgen wij nu van de generaties na ons het verwijt dat wij te aanwezig zijn. Zowel gezamenlijk als ieder apart. Onze koppen zijn te groot, onze stemmen te luid en we houden met onze te dikke achtersten te veel leuke plekken bezet. (Maar dan toch zeker niet op straat of in het uitgaansleven of op de televisie of op reis). Om nog maar te zwijgen van al die in holle frasen verpakte verwende nonsens over mens, `mind' en wereld waarmee wij de samenleving hebben vergiftigd, te beginnen met onze eigen kinderen. En dan die vreselijke Bob Dille met z'n gitaar en z'n geraspte aardappelstem... Waarom is die nog niet dood?

Maakt niet uit, ma. Het probleem is dat sommige mensen liever vasthouden aan hun bitterheid over wat ze denken al die jaren gemist te hebben dan te proberen die achterstand in te halen – wat, en nu verklap ik een groot geheim, overigens binnen een oogwenk gepiept kan zijn. Een vingerknip, een handklap. Gewoon doorlopen, walk on, om met Zen en zijn motorfiets te spreken, en weg achterstand. Aan de andere kant is dat dan weer wel precies het soort inzicht waar de babyboom-haters een punthoofd van krijgen als zijnde een typisch staaltje van babyboom-retoriek. En dat terwijl – en dáárin zouden wij en hullie elkaar dan toch moeten kunnen vinden – retoriek toch de koninklijke weg is naar de bevrijding. Een bevrijding niet zozeer van regels als wel in zinnen, in woord en gebaar, met het oog op een vrijheid die niet eenzaam maakt maar saamhorig. Talking about de kunst van het grote spreken – als een bezielende mix van adem, taal, ritme, waarheid, waardigheid, betekenis en getuigenis. En het moet gezegd, in dat opzicht waren wij bofkonten: John F. Kennedy, Martin Luther King, John Sinclair, Allen Ginsberg, Norman Mailer, Muhammad Ali, H. Rap Brown. Veel zwarte mannen, inderdaad, als het al geen schrijvers waren of rasperige zangers, of dominees, al deze meeslepende Baby Boom Che's – of, mooier nog soms, anoniem en dichter van slechts een enkele regel.

Onder het plaveisel, het strand. Ik weet dat het dezer dagen vanwege het baby boomerang-effect niet veilig is om welke kreet uit de jaren zestig dan ook aan te halen, maar nu half Amsterdam al maandenlang openligt, kan ik niet langer zwijgen. Wijd en zijd is van straten en pleinen de bovenste laag afgeschraapt en op elke winderige straathoek prikt het fijne zand in je gezicht. Maar niemand bouwt kastelen. We stampen over wankele planken langs lange loopgraven waarin kabels en buizen zijn blootgelegd als de spieren en aderen in het lichaam van de stad. Andere plekken – waar de anatomische les ontaard is in een slachtpartij – worden door een afscheiding van wit zeildoek aan het zicht onttrokken.

Hoezo strandvermaak? Ja, heel even misschien, in het paradijselijke begin, wanneer de stoeptegels nog maar net zijn gelicht en het zandoppervlak, op een ruitvorming patroon van bruine verkleuringen na, nog maagdelijk is. En dan komen de bulldozers en dragliners en zetten hun ijzeren tanden en klauwen in de grond – met een verbetenheid alsof ze verwachten elk moment op de verroeste resten van een van hun prehistorische voorouders te zullen stuiten. Het is verdomme altijd weer het verleden dat er opgegraven wordt.

Toen ik een jaar of negen was en met mijn ouders nog in de buurt van het stadion woonde, was er vlakbij mijn school een stuk straat waar ik altijd sneller begon te lopen. Op het eerste gezicht verschilden die paar honderd meter niet van de rest van de buurt: dezelfde middenstandswoningen, gebouwd in een tijd dat die nog een stap vooruit in de wereld betekenden, dezelfde pronte middenklasse-auto's voor de deur, dezelfde planten en knusse vitrage voor het raam. Maar ongeveer halverwege het blok woonden vlak naast elkaar twee families waar iets mee was. Allebei hadden ze een net iets grotere en oudere auto, net iets valere gordijnen, net iets vaker op de verkeerde dagen de vuilnisbakken buiten en een net iets vaker thuiszittende vader. Maar wat ze vooral hadden was: net iets meer en net iets grotere en gemenere kinderen die daar altijd op de stoep rondhingen en, wanneer je voorbijkwam, dreigden hun hond op je los te laten – een altijd kwijlende witte boxer die ze `Plofje' noemden. Of ze vormden met z'n allen – gemiddeld een man of vijf, zes sterk – dwars over de stoep een bewegende muur waar ze je, hoe je ook probeerde om er langs te komen, tegen op lieten botsen. Wanneer ik hun daarbij in het gezicht keek, vielen mij de enorme, bijna zwarte wallen op die zelfs de jongsten onder hun ogen hadden. Van wat ze verder zeiden, als ze al iets zeiden, herinner ik me vooral de sarrende toon van hun `hé, jongetje, kom 's hier, hé jongetje!'

Als het even kon stak ik snel over naar de andere kant van de straat wanneer ik ze voor hun deur zag staan, of maakte helemaal rechtsomkeert. Zagen ze dat, dan kreeg ik een regen van stukjes steenkool achter mij aan – van die gladde, ronde, die ze vroeger `eitjes' noemden.

Maar het beeld dat mij van het door die families gemarkeerde vijandelijke gebied het sterkst is bijgebleven stamt van een aantal jaren later. Ik was inmiddels dertien, zat op een middelbare school in een heel andere buurt en had zelden meer aan die straat gedacht toen ik er toevallig nog een keer doorheen kwam op een moment dat er nieuwe riolering werd aangelegd. Stoep en rijbaan waren veranderd in een met houten vlonders begaanbaar gemaakte, naar brak water ruikende zandvlakte waar hier en daar, beschermd door een lap jute, een boom uitstak. Toen ik ongeveer halverwege was, zag ik tegen één daarvan een jongen zitten die in een parallelklas bij mij op de lagere school had gezeten. George heette hij of Charlie en hij droeg nog steeds dezelfde zware bril met zwart montuur, een grijze Terlenka broek en een tot aan zijn adamsappel dichtgeritst blauw regenjek. Het touw waarmee hij aan de boom zat vastgebonden was van dat goedkope dunne witte inpaktouw dat snel pluizig wordt en diepe striemen trekt in stof en huid. Om hem heen waren een aantal jongetjes – in wie ik direct de jongste lichting 'plofjes' herkende – ingespannen in de weer om met planken en stoeptegels een fort te bouwen. Voor hun gevangene, die net als vroeger bij het schoolzwemmen paarse lippen had van de kou, toonden ze ondertussen geen enkele belangstelling. Ze duwden hem hoogstens even een stukje opzij wanneer ze een paar straatstenen moesten hebben die bij zijn voeten lagen.

Ik bleef op enige afstand heen en weer lopen om te zien of ik zijn blik kon vangen, maar George (of Charlie) bleef strak voor zich uit kijken. Uit berusting misschien, omdat dit soort van vernedering er in zijn leven nu eenmaal bijhoorde, of uit schaamte of juist trots – dat weet ik nog steeds niet. En opeens was het of ik naar iets stond te kijken dat niet hier en nu gebeurde, maar zich misschien vijf of misschien wel vijftig jaar eerder op deze plek had afgespeeld. Iets waar ik niets meer aan kon veranderen.

Ik ben doorgelopen.

Heel Amsterdam ligt open, overal zand. Maar niemand bouwt kastelen