Haagse hechtkit

PAARS HAD AL de naam een lachende coalitie te zijn. Er kan zo langzamerhand aan worden toegevoegd dat het een zichzelf feliciterende coalitie is. Na afloop van het debat in de Tweede Kamer over de vuurwerkramp in Enschede was er gisteravond wederom het bekende tafereel van ministers die schouderklopjes in ontvangst namen omdat ze een debat hadden `overleefd'. Dit keer was minister De Grave (Defensie) de gelukkige. Hij heeft geen persoonlijke consequenties getrokken uit het falen van zijn ministerie waardoor de ramp in Enschede mede kon ontstaan. En hij hoeft ook geen consequenties te trekken van een meerderheid van de Tweede Kamer.

De grote aandacht voor de positie van minister De Grave zou haast doen vergeten dat het driedaagse debat in de Tweede Kamer over iets anders ging, namelijk de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Oosting die de toedracht naar de ramp heeft onderzocht. Er zijn op diverse niveaus fouten gemaakt, waardoor de ontploffing in de vuurwerkfabriek SE Fireworks de omvang van een ramp kon aannemen. De eerste fout lag bij het bedrijf zelf, dat de voorschriften negeerde, verder heeft de lokale overheid steken laten vallen, maar ook de rijksoverheid valt laksheid aan te rekenen.

In het rapport van de commissie-Oosting zijn tal van aanbevelingen gedaan om dergelijk falen in de toekomst te voorkomen. Deze conclusies zijn, nadat het kabinet dit al eerder had gedaan, nu nagenoeg volledig door de Tweede Kamer onderschreven. Hiermee heeft de landelijke politiek een belangrijke verplichting op zich genomen. Want behalve om geld gaat het om een andere bestuurscultuur. Die laat zich niet bij wetgeving invoeren, dat maakt het extra ingewikkeld. Een optredende overheid is eerder beloofd dan gerealiseerd.

HET GELOOF IN daadkracht van de politiek om dat tot stand te brengen is niet versterkt door de slotfase van het debat, waarin de eigen verantwoordelijkheid van ministers centraal stond. De vraag in hoeverre ministers verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het falen van hun diensten is legitiem. Het is geen digitale afweging waarbij een departementale fout als automatische consequentie heeft dat de politiek verantwoordelijke bewindspersoon dient af te treden. In die zin was de roep van de oppositie om het aftreden van minister De Grave, omdat een afdeling van zijn departement lang voordat hij was aangetreden niet adequaat had geopereerd, tamelijk vergezocht. Er is wel degelijk een verschil in mate van verantwoordelijkheid tussen hem en de Enschedese wethouder van milieu, die direct verantwoordelijk was voor de vergunningen aan de vuurwerkfabriek – die wel is afgetreden.

Toch was juist de wijze waarop de positie van De Grave werd verdedigd zo onbevredigend. Het kabinet vluchtte in het platgetreden pad van de collectieve verantwoordelijkheid. Minister De Vries (Binnenlandse Zaken) liet er geen misverstand over bestaan dat wanneer minister De Grave tot aftreden zou worden gedwongen, het hele kabinet zou opstappen. Niet zozeer als politieke daad, maar omdat men zich werkelijk collectief verantwoordelijk achtte. Zoals De Grave het zelf stelde: het kabinet heeft geen behoefte aan het aanbrengen van een rangorde in verantwoordelijkheid.

MET DEZE WIJZE van verdedigen wordt nieuw staatsrecht geschreven. Er zijn bij de rijksoverheid talloze fouten gemaakt, maar het ene ministerie heeft meer en ernstiger fouten gemaakt dan het andere. Het hanteren van het `iedereen-is-even-verantwoordelijk-principe', zoals het kabinet deed, maakt in feite elk zinnig debat op voorhand onmogelijk. Als dit de bestuurscultuur van het kabinet is, hoeft er van alle plechtige voornemens om te komen tot een culturele verandering, laat staan een culturele revolutie, niet veel te worden verwacht.