Groepsseks onder de airco

Wanneer er één fenomeen is waaromtrent ik in New York tegen wil en dank een zekere deskundigheid heb verworven, is het wel het gedrag van de stedelijke eekhoorn. Wie bij New York onmiddellijk denkt aan wolkenkrabbers, verkeersgedruis, kunstgaleries, mode, smeltkroes van rassen, enzovoort, zal zich afvragen waarover ik het heb, maar squirrels bevolken in deze stad alles wat maar zweemt naar tuin, plantsoen of achterplaatsje; dat heeft een toerist niet zo snel in de gaten. Is er een boom voorhanden, dan heb je eekhoorns. Wij hebben achter het huis wel tien bomen. Onze `achtertuin' bestaat slechts uit een piepklein, betegeld, met klimop overwoekerd plaatsje, maar de buren rondom sorteren in bomen van allerlei slag. In de loop van de twee jaar dat ik hier woon heb ik met de eekhoorns een haat-liefdeverhouding opgebouwd – uitsluitend van mijn kant bezien dan; dat zij voor mij enig gevoel koesteren is niet aannemelijk.

Eekhoorns hebben een hoog schattigheidsgehalte met die pluimstaart en die kleine handjes die zo behendig een nootje of vruchtje ronddraaien, maar wie een werkkamertje met uitzicht op de achtertuinen heeft en ze de godganse dag ziet donderjagen, gaat anders over ze denken; laten we zeggen genuanceerder.

In de eerste plaats zijn die gepluimstaarte ratten een plaag voor iedere tuinier. Ze knagen aan elk uitlopend scheutje, aan ieder bolletje of nieuw wortelstokje dat maar een beetje aantrekkelijk lijkt. Op dat betegelde plaatsje van ons staat alles in potten en iedere pot die er in het voorjaar bijgezet wordt, vind je de volgende dag grondig doorwoeld terug. Ooit heb ik in mijn onnozelheid bloembollen geplant. Nooit enige bloem gezien, nog geen sprietje of bladpuntje! Wel die schattige handjes die vliegensvlug onbekende lekkernijen zitten rond te draaien dus. `Breng morgen een zak squirrelpoison mee', is hier in huis een standaardgrap geworden.

Bovendien zijn het rovers die vogelnesten uithalen en ik ben in de oorlog die dat oplevert consequent op de hand van de prachtige Blue Jay's die ik steeds zo zorgzaam zie af- en aanvliegen en al helemáál op de hand van de knalrode kardinaalsvinken met hun parmantige kuifjes, die hier zomaar rondfladderen en nestelen alsof ze in deze steenwoestenij geen ongelooflijke godswondertjes van schoonheid en kleur zouden zijn. Bij het minste of geringste, een aanval van het Blue Jay-paar bijvoorbeeld (dat zijn eieren of jong gebroed in de bek van zo'n rover over de takken afgevoerd ziet) barsten de eekhoorns in een schel, aanstellerig gekrijs los, waarbij ik me altijd moet inhouden geen stokken of stenen naar ze te gooien, die hen toch niet treffen, maar de hoofden van de buren, die zijn komen aanlopen op dat lawaai, wellicht wel.

Als ze niet rennen, knagen, loodrecht aan een stam naar beneden hangen of lui liggen te zonnen, zitten ze zich te krabben. Ik ken geen andere diersoort die zo hevig lijdt aan schurft en/of parasieten als de eekhoorn. Zitten ze bij mooi weer pal boven mijn hoofd in een boom, dan schuif ik mijn stoel al automatisch opzij. Het is trouwens een misvatting dat het van tak tot tak springen van eekhoorns altijd maar goed gaat. Ze lazeren wel degelijk regelmatig naar beneden en een gering aantal sprongen eindigt in het minivijvertje bij ons tussen de klimop. Een vorige bewoner heeft daar een soort badkuip laten ingraven, met een opvliegende eend van steen ernaast en uit die badkuip vis ik een paar keer per jaar verzopen eekhoorns. Als je dénkt dat je ze erin ziet tuimelen en er nog iets te redden valt, liggen ze er niet in, en als je niks gezien hebt, haal je op een dag weer een in ontbinding verkerend karkasje uit het water.

Maar het ergste is hun voortdurende geflikflooi onder de airconditioning in mijn werkkamer. Zoals in veel New-Yorkse huizen zijn ook in ons huis de airco's gewoon op de buiten-vensterbank in het raam geplaatst, op zo'n manier dat er onder die bakbeesten nog net een stukje ruit overblijft. Oerlelijk in interieur en straatbeeld, maar daar gaat het nu niet om. De eekhoorns hebben de ruimte onder de airco als liefdesnestje uitgekozen. Het is een smalle, aan één kant afgesloten plek, altijd lekker droog, en blijkbaar een gezellig hol, want ze zitten er meestal met zijn vieren in. Eekhoorns zijn groepsseksdieren, heb ik gemerkt, met een voorkeur voor vier deelnemers. Door dat smalle reepje glas onder de airco kan ik hen vanuit de kamer gadeslaan. De situatie is te vergelijken met die in sommige dierentuinen waar de interessante mierenhoop of het ondergronds reilen en zeilen der engerlingen door het publiek met de neus tegen het glas gevolgd kan worden.

Aanvankelijk vond ik het natuurlijk een buitenkansje en vreselijk vertederend om die doerakken zo vanaf de eerste rang bezig te kunnen zien (het lijkt de betere dierendocumentaire wel), maar intussen is het me flink de keel gaan uithangen. Ze weten niet van ophouden! Ik word constant afgeleid van mijn werk. Eerst hoor je één, twee, drie, vier sprongen op de airco (ze moeten er vanaf een boomtak eerst opspringen om eronder te kunnen komen), dan begint het gekrioel en gedraai in die kleine ruimte en het geschreeuw door het glas heen, want ze bijten elkaar er gemeen bij. Het is één kluwen van kronkelend bont, staarten, snuiten, zwarte kraaloogjes, en het onuitstaanbare is: hoe een copulerend eekhoornpaartje eruit ziet, weet ik nog steeds niet, want er is geen wijs uit te worden, het flitst allemaal razendsnel om elkaar heen, je wordt er dol van. Ik bevind me onderhand in de rol van de verzuurde hospita die steeds maar moet meemaken hoe enthousiast de studenten aan wie zij een kamer verhuurt de liefde aan het ontdekken zijn, en bij het eerste het beste gerucht al naar de bezem grijpt om tegen het plafond te stoten. De bezem is in mijn geval een pen of een schaar, waarmee ik pinnig tegen dat reepje glas tik, maar het haalt weinig of niets uit. Hoogstens twee van die schurftige schatjes schrikken op van de trilling door het glas en glippen weg, voor een halve minuut, en de andere hebben niks gehoord.

Nooit vind ik ergens begrip voor deze overlast. `Ik werd weer door die rotsquirrels van mijn werk gehouden' wordt direct als het zoveelste flauwekulsmoesje voor een writersblock of gebrek aan discipline gehouden. En het is waar: de gedreven, bevlogen geest laat zich door zo'n stelletje bonten geilaards niet ringeloren.

Kíjk dan ook niet naar ze, zult u zeggen. Maar dat helpt niet. Ik kijk wél. Elke keer weer.

    • Rascha Peper